Schermafbeelding 2017-02-26 om 17.25.02

Een pleidooi voor lowtech (Column voor Boerderij Vandaag)

Onze sector staat bepaald niet stil, het barst van de innovatie. Sterker nog we zijn er wereldwijd om geroemd. Tijdens een symposium over Agrifood & Tech mocht ik mijn stelling verdedigen, namelijk: hightech landbouw is beter voor de agro-industrie, de boer kan zich beter richten op verbetering van vakmanschap. Laten we voorop stellen dat ik absoluut niet tegen technologie ben. Ik vind het fantastisch dat ik tegenwoordig via Twitter eenvoudig1000den mensen kan bereiken en dat ik midden in het veld bereikbaar ben. Maar ooit heb ik mijn adviesbureau Boerenverstand genoemd omdat er een chronisch tekort dreigt aan Boerenverstand. We denken namelijk boerenkennis, kennis van voedselproductie, te vangen in modellen. We plakken overal sensoren op, die genereren data, die data stoppen we in die modellen en dat stuurt de processen aan. Daarmee wordt alles nog veel preciezer, nog efficiënter, nog sneller, tegen nog lagere kosten. En de boer kan rustig verder schaalvergroten. Maar ik denk dat het de landbouw helemaal niet preciezer maakt, het maakt hem meer gemiddeld, meer van hetzelfde. En die schaalvoordelen leiden inmiddels helemaal niet meer tot lagere kosten.

Achter die zogenaamde “preciezie” zitten tal van aannames en feitelijk een hele sterke versimpeling van de werkelijkheid. Laat ik twee voorbeelden noemen: 1) de pens van een koe en 2) de bodem. Om koeien te voeren gebruiken we steeds geavanceerdere modellen. Maar terwijl de voeradviseur aan de keukentafel tot meerdere cijfers achter de komma het rantsoen berekend, zie je achter de stal de stoom uit de graskuil komen. Heeft die computer het voer geroken? de mest beoordeeld? De boeren die lage voerkosten realiseren sturen heel anders en realiseren 2 tot soms wel 4 cent lagere voerkosten. Bij 8 ton melk toch al snel een inkomen!

En dan de bodem. Daarvan roepen we massaal dat we er te weinig vanaf weten. Dat klopt, we weten niks meer van bodembiologie of bodemstructuur. Maar alle gewasmodellen gaan uit van simpele “N, P en K-sommetjes”. Het concept “rijpe mest” kent het model sowieso niet. Ook ziet het model niet of er storende lagen zitten of wormen. Ofwel bemesten met de satelliet op basis van wat? Van hele algemene kaarten en wederom alles behalve precies.

Kortom: degene die echt precies is, dat is de vakman! Die zit aan de knoppen en dat zijn niet een paar knoppen, dat zijn er 1000den, en die zijn ook nog eens allemaal relevant. Er komen ook steeds meer knoppen bij. Denk aan weidevogelbeheer en melk maken van gras van uitgestelde maaidatum. Maar de boer die hier de hoofdlijnen kan blijven overzien en zich niet verliest in de details, die wordt schaarser. Hij moet vooral nieuwe technologie blijven kopen, want daar wordt hij zogenaamd beter van. In werkelijkheid wordt hij gemiddelder en alles rondom de boer verdiend er aan. Ik denk dat 9 van de 10 meer gaat verdienen door te investeren in een cursus kringlooplandbouw, ofwel in het verbeteren van het lowtech vakmanschap. Maar laat ik dan toch eindigen met een pleidooi voor technologie: zet een webcam in de melkstal, twitter je suf, verkoop rauwe melk en vleespakketten via Facebook en vind via prikkebord de echt onafhankelijke boerenkennis.

Frank schrijft sinds 2014 elke maand columns in MelkveeMagazine. Hier zijn ze terug te lezen.

 

60. PAS op de plaats

Zoals u heeft gelezen is er een streep gezet door de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Het is onvoldoende onderbouwd en in strijd met Europese regels. Gevolg is dat de vergunningverlening nu stil ligt. Schouten wil de balans tussen natuur en economische ontwikkeling herstellen en gaat in gesprek met de PAS-partners. Ik denk dat het tijd is voor een serieuze “pas op de plaats” en met alle sectorvertegenwoordigers, deskundigen, ambtenaren, maar ook met de milieubeweging de tijd te nemen om het hele emissiebeleid, of beter: het beleid rondom het al dan niet verlenen van vergunningen, over een compleet andere boeg te gaan gooien.

Sinds begin jaren 90 wordt het hele ammoniak-kaartenhuis opgebouwd vanuit emissiefactoren: een stal krijgt een emissie-factor, maar ook het mest uitrijden en weidegang. Al die factoren stoppen we nu in een groot rekenmodel: Aerius. Eigenlijk weten we al vele jaren dat we een soort virtuele werkelijkheid hebben opgetuigd. Het heeft allemaal ook al lang niks meer met de natuur te maken. Niemand kan ammoniak zien of ruiken, we kunnen het alleen heel ingewikkeld en vooral heel duur meten. Het is het domein geworden van slechts enkele wetenschappers en vooral van juristen. Aan de ene kant juristen van de overheid, aan de andere kant van de boeren, maar zeker ook de juristen van de milieubeweging. Als je leest wat Geesje Rotgers (V-Focus) allemaal boven tafel haalt, bekruipt je al snel het gevoel dat er weinig van klopt. MAAR en dat is precies ook de maar: het werkte wel. Ofwel boeren kregen hun vergunning en wisten waar ze aan toe waren.

Nu het vastloopt wil ik onze bestuurders met klem oproepen een overgangsfase in te gaan stellen om tot een geheel nieuw systeem van vergunningverlening te komen. Alle sectoren zijn inmiddels begrenst met fosfaatrechten, dus we hoeven het eigenlijk niet meer over dieraantallen te hebben, toch? We willen toekomstbestendige bedrijven. Dat zijn in mijn ogen bedrijven die waarde toevoegen voor de economie, waarde toevoegen voor het gebied, het landschap. En dat zijn bedrijven die goed zijn voor kringlopen, klimaat, natuur en dierenwelzijn. Degene die een vergunning zouden moeten krijgen, zouden degene moeten zijn die weinig stikstof aankopen, degene die stallen bouwen waar waardevolle mest uitkomt voor het verhogen van de organische stof in de bodem. Degene die een zaaltje maken om bezoekers te ontvangen of die bijzondere streekproducten produceren. En ik denk dat elke boer bereid is om meer te investeren in biodiversiteit door het aanplanten van bomen of het inrichten van randen of plas-drassen, zeker als er dan geen rare investeringen meer nodig zijn in roosters met klepjes of dat waardevolle mest aangezuurd moet worden.

In plaats van trekken aan een systeem als Aerius wat steeds verder van de boer maar ook van de natuur af komt te staan, moeten we nieuwbouw of verbouwconcepten in zijn geheel beoordelen op een win-win situatie voor boer en natuur.

59. Kringlooplandbouw, hoe doe je dat?

Deze maand heb ik een belangrijk ei gelegd. Ik heb namelijk, samen met Professor Jan Willem Erisman een rapport opgeleverd “kringlooplandbouw in de praktijk” in opdracht van het Ministerie van LNV. Terwijl de ambtenaren nog met hun handen in het haar zitten wat kringlooplandbouw nu precies is, laten wij zien dat er boeren zijn die al meer dan 20 jaar werken aan kringlooplandbouw. Wat zijn hun achterliggende principes? daar gaat het om, want als je die kent kan je kringlooplandbouw in de praktijk brengen. Precies dat hebben we opgeschreven. Want kringloopboeren gaan heel bewust om met hun eigen resources: bodem, voer, dieren, biodiversiteit, landschap, geld, etc. Helaas schatten wij in dat slechts 15% van de Nederlandse boeren kringlooplandbouw ook echt goed doorvoeren op hun bedrijven, ieder op zijn/haar manier. De overgrote meerderheid van de boeren worden nog altijd door erfbetreders, maar ook door Wageningen en overheden gestimuleerd zich steeds verder te specialiseren, en vooral ook meer te investeren. Misschien ook wel logisch, want aan een betere benutting van eigen resources en een beter vakmanschap kan de toeleverende agribusiness steeds minder verdienen. Kijk maar eens naar de advertenties in dit blad. Niemand kan geld verdienen aan het feit dat u minder aankoopt. Kringloopboeren daarentegen zijn eigenzinnige boeren die tegen de gangbare adviezen in, tegen de commercie in en soms ook tegen het beleid in gaan.

Ik heb inmiddels voorbeelden te over. Zo heb ik de Minister verteld dat in plaats van te zoeken hoe een koe met een zo laagwaardige input zo veel mogelijk hoogwaardig melkeiwit kan produceren, we precies het omgekeerde aan het doen zijn: onderzoeken en adviseren hoe meer melkeiwit te leveren door het voeren van geconcentreerde (kracht)voeders en toevoegmiddelen. De inkomsten voor de toeleverende industrie groeien, maar we zien een verslechterde kwaliteit van de bodem, monoculturen van grasland, meer import van krachtvoer en een korte levensduur van de koeien. En recent de discussies over de klimaataanpak. De pens van de koe is verantwoordelijk voor methaanuitstoot en alles rondom de boer roept: een hogere melkproductie per koe, want dat geeft per liter melk minder uitstoot. En zoals u begrijpt past die boodschap wederom perfect bij het verdienmodel van de erfbetreders. Gelukkig weten de kringloopboeren wel beter, ze waken over de kwaliteit van hun bodems, werken aan een hoge kwaliteit mest, fokken en selecteren andere koeien, maken hun eigen rantsoenberekeningen, passen het goedkoop voer vanuit natuurlanden in enzoverder. Dat maakt ze economisch ook nog eens een stuk robuuster.

Maar wat moet de Minister hiermee? Zo snel mogelijk met een serie sleutel indicatoren voor kringlooplandbouw komen. Een set van indicatoren die ook recht doen aan de integraliteit. Vervolgens moeten de beloningssystemen daarop worden aangepast. Dus een BEX voordeel geeft de verkeerde beloning. Een laag stikstof- en fosfaatbedrijfsoverschot belonen werkt beter, want dat stuurt op minder krachtvoer en kunstmest en geeft veel meer ruimte voor lage kosten oplossingen. Maar ook het onderwijs en de kennisinstellingen kunnen veel integraler gaan werken. Nog een hele weg te gaan. Lees het rapport eens door, kringlooplandbouw.nl/rapport en ik ben benieuwd naar uw oplossingen hoe kringlooplandbouw op te schalen.

58. Dubbeldoel

Tijden veranderen en anno 2019 kijken we naar de CO2 uitstoot van een liter melk. Nu zou vlees als “bijproduct” van melk wel eens heel gunstig kunnen uitkomen in verband met de klimaatopgaven van de sector. Bekent dit een herwaardering van de dubbeldoel koe? De klimaatopgaven voor de melkveehouderij liegen er niet om. Toch moeten we dit wel “met boerenverstand” gaan aanpakken, ofwel de zaken oppakken die de sector als geheel weer stappen vooruit kan helpen. En daarbij zijn er twee sporen die we wat betreft het klimaat beter moeten uitwerken: 1) het opwaarderen, opplussen, van afgemolken koeien tot vlees met meerwaarde en 2) het organiseren van een beter verhaal rondom het afmesten en verwaarden van de stierkalveren. In beide punten ligt volgens mij een grote kans voor duurzaamheid, maar misschien minstens zo belangrijk: voor een beter imago van de sector Duurzaamheidssystemen die nu voor melk worden opgezet, zoals PlanetProof, kunnen misschien uitgebreid worden naar rundvlees?

Ik kom met deze column omdat ik laatst in gesprek was met klimaatwetenschapper Theun Vellinga van Wageningen UR. Die concludeerde dat strategieën gericht op reductie van broeikasgassen in de melkveeveehouderij, zoals verhoging van de melkproductie per koe, minder effectief zijn dan vaak wordt gedacht, wanneer de productie van melk en vlees in samenhang wordt bekeken. Hij vind dat er meer interesse zou moeten komen om de Nederlandse dubbeldoel rundveerassen te blijven gebruiken in de melkveehouderij. Gespecialiseerde rundvleesproductiesystemen (zoogkoeien) late hoge emissies van broeikasgassen per kilo vlees zien, de productie van rundvlees vanuit de melkveehouderij komt vele malen gunstiger uit. Als je dat verhaal nog weet te combineren met het benutten van natuurland, of met vooral eiwit van eigen land, dan is het helemaal een goed verhaal. En wanneer we rundvleesimporten vanuit het verre buitenland voorkomen is het ook helemaal in lijn met de kringlooplandbouw. Eerder schreef ik al eens dat een groep jonge boeren uit Midden Delfland bezig is met het afmesten van uitgemolken koeien. Een oud student van me is bezig met Dirks Dubbeldoel vlees en ik zie her en der meer nieuwe initiatieven ontstaan.

Bij Heijdra vleesvee uit Ijsselstein is dit kwartje al vele jaren eerder gevallen, tijd dat de Minister daar eens op werkbezoek gaat. Melkkoeien op een speciaal rantsoen afmesten en met meerwaarde verkopen. Dit zou opgeschaald kunnen worden in andere regio’s. Doe het vooral samen met de lokale slager, maak het ook niet te grootschalig, houdt het uniek en bijzonder en zie het vooral ook als een versterking van de sector: leuk om te doen en goed voor de PR. Begin gewoon eens met een koe af te mesten en deze te slijten bij vrienden en familie, kijken hoe de reacties zijn.

57. Is er al een weideplan?

Het is inmiddels maart, op veel plekken is de mest al op het land gereden en het gras begint te groeien. Maar wat word eigenlijk het plan? Ik begin er zo langzaam een beetje flauw van te worden dat iedere boer altijd het weer overal de schuld van geeft. Want hoe kan het dan dat sommige bedrijven jaar in jaar uit hoge benuttingen van eigen land realiseren? en anderen nog altijd onderaan in de grafieken blijven bungelen? Het is allemaal een kwestie van vakmanschap en keuzes maken. Een keuze maken voor een weidesysteem wat werkt, vervolgens systematisch te werk gaan, plannen e volhouden. Stripgrazen vereist vakmanschap en elke dag er mee bezig zijn. Andere systemen minder.

Eigenlijk zou de start van het groeiseizoen gelijk op moeten gaan met de start van het weideseizoen. Groeitrappen zijn namelijk van groot belang om weidegang op het bedrijf succesvol te laten verlopen. Zonder goede groeitrappen wisselt het aanbod en de kwaliteit gras te veel. Om voldoende groeitrappen te krijgen is het daarom ook verstandig vroeg te starten met weiden, bij voorkeur vóór de eerste snede. Naast het krijgen van voldoende groeitrappen levert dit meer voordelen op. Weidegang is cruciaal voor het aanbrengen van mozaïek, voor het creëren van mestflatten (= insecten = vogels). Dit is vooral van belang in het voorjaar, dus de koeien pas na de 1e snede naar buiten zou naar mijn mening niet beloond moeten worden.

In de weide moet de krachtvoerkraan ook heel ver dicht kunnen, wat weer goed is voor de hoeveelheid eiwit van eigen land. Ook valt de mest en urine apart en hoeft er minder mest te worden opgeslagen waardoor er veel minder ammoniak ontstaat. Op velerlei manieren kan weidegang de sector vooruit helpen. Nog maar te zwijgen over de CO2 vastlegging in het grasland en het imago van de sector. De toeleverende industrie kan met weidegang helaas een stuk minder aan u verdienen: minder dure stal- en voersystemen en er kan vooral veel minder krachtvoer verkocht worden. Veel erfbetreders hebben jarenlang het model gepromoot dat u alles zoveel mogelijk constant moet houden, want zo kunt u beter sturen. Maar ik denk dat ze dan vooral zichzelf bedoelen, zo kunnen zij beter sturen op meer voerverkoop.

Ook hoeft elke kg droge stof die de koeien in het land opnemen, niet te worden geoogst en ingekuild. Ofwel twee keer kosten besparen. Er zijn verschillende weidegangsystemen waar je uit kunt kiezen. De keuze voor een bepaald systeem hangt af van het aantal koeien, aantal hectares, beschikbare arbeid, hoe fanatiek u bent, etc. Bij standweiden krijgen de koeien na 3 tot 5 dagen een nieuw perceel, bij omweiden dagelijks en bij stripgrazen zelfs na elke paar uur. Door vaker een vers stuk gras aan te bieden, is de opname meestal het hoogste. Er is voor elk bedrijf een passend beweidingssysteem voor handen. Gebruik de modellen en kennis van de stichting weidegang, want daar kun je serieus veel van leren. Zie hier: www.stichtingweidegang.nl en hier www.wur.nl/nl/Dossiers/dossier/Weidegang-1.htm  Succesvol weiden is kiezen voor een systeem wat bij u past. Dus actie! en U hoort weer van me.

56. KKN

Wat? Je bedoeld zeker KKM? Nee KKN staat voor Klimaat, Kringlopen en Natuur. Dat is het programma wat FrieslandCampina aan het uitrollen is onder haar leden. Officieel heet het “activatie Klimaat, Kringlopen en Natuur”. Nou ik kan u vertellen, die activatie lukt behoorlijk: volle zalen! En waarom? Elk lid heeft een email gekregen vanuit Amersfoort waaruit blijkt hoe men scoort op een aantal indicatoren uit de biodiversiteitsmonitor. Tegelijkertijd is er een toplijn Zuivel geïntroduceerd, PlanetProof, waar alleen boeren in een bepaalde straal rond de fabriek en met bovengemiddelde scores aan kunnen deelnemen. U begrijpt dat iedereen op het puntje van de stoel zit om te weten wat RFC hiermee wil en hoe ze een groen vinkje moeten halen.

Laten we beginnen met de biodiversiteitsmonitor en PlanetProof. Dat loopt al een aantal jaar, daar ben ik zelf ook al enige tijd bij betrokken. Een traject waar RFC samen met WNF en Rabobank na heel veel discussies tot een aantal indicatoren zijn gekomen om te sturen op biodiversiteit. Het zijn: Stikstofbodembalans (kg N/ha), Ammoniakemissie (kg NH3/ha), Eiwit van eigen land (% van totaal gebruik eiwit), Blijvend grasland (%) en Natuur & landschap (% totaal oppervlakte). Daarnaast staat nog klimaat: Broeikasgasuitstoot (CO2 per kg melk). Die indicatoren zijn niet echt nieuw. Ik heb zelf al in 2008 de eerste kringlooprapporten uitgedeeld met deze indicatoren en ook met als doel melkveehouders te belonen die bovengemiddeld scoren. Als je ammoniak en bodembalans bij elkaar optelt het je het “oude” MINAS overschot. Eiwit van eigen land wat het compromis tussen sturen op grondgebondenheid, maar ook op minder voer aankopen: de grond die elders nodig is.

PlanetProof word onafhankelijk gecertificeerd door de Stichting MilieuKeur (SMK). Er moest ook iets gebeuren want tot nu toe konden we nauwelijks iets bewijzen richting de markt aangaande duurzaamheid. Nu is er dus een toplijn met een keurmerk PlanetProof (wat overigens niet exclusief voor RFC is) en nu word het in een keer spannend. Elke melkveehouder heeft namelijk wel een mening over deze indicatoren. Iedereen vind zichzelf uniek en bijzonder, en op zich terecht. Toch lijkt het er op dat juist deze set indicatoren uitdagend genoeg zijn voor alle melkveehouders. Kijk je naar broeikasgasuitstoot dan komen hoogproductieve bedrijven met veel mais misschien gunstiger uit. Extensievere bedrijven scoren dan weer beter op aandeel natuur en de emissies per hectare. Ik heb het nu rechts en linksom bekeken, 3-jarige gemiddeldes genomen, allerlei statistiek op los gelaten en kan niet anders dan tot de conclusie komen dat deze set indicatoren mooi in evenwicht zijn en gelijke kansen bieden voor de gehele melkveehouderij in Nederland. Ofwel de meest wetenschappelijk verantwoorde manier om iets over biodiversiteit te zeggen. Daarom vermoed ik dat A-ware en AlbertHein zichzelf nog gaan tegenkomen. Die hebben 10% kruidenrijkdom of gras-klaver weides op 20% van het oppervlakte. Biodiversiteit ligt complexer. Het moet internationaal ook ergens op slaan, het moet transparant en controleerbaar zijn, want anders prikt de consument er vroeg of laat toch doorheen. Maar het allerbelangrijkste: deze set indicatoren moet ook kansen bieden om uw management te verbeteren en door te gaan om “meer uit minder te halen”. Dat was altijd al belangrijk, dat is nog steeds zo.

55. Vertrouwen

Hoewel ik nog steeds blij ben met deze Minister, twijfel ik wel of ze bij machte is om haar kringlooplandbouw-visie tot uitvoering te brengen. Want om nu te besluiten dat op elke mesttank een GPS-tracker moet komen? Dan heb je het volgens mij niet helemaal begrepen. Voor degenen die het gemist hebben: het voorstel van Schouten is om vanaf 2021 alle mest uit te rijden met AGR-GPS. Ook de bepaling van stikstof en fosfaat met NIR zou in de toekomstig als mogelijke verplichting kunnen worden opgenomen.

Het lijkt mij duidelijk dat dit natuurlijk helemaal niks gaat opleveren. De nVWA grijpt de macht op het Ministerie. Die willen het liefst elke scheet (lees: kilo ammoniak en fosfaat) tot op de komma tracken & tracen. Achter elke mesttank een NvwA-er? Bureau Assen verdriedubbelen? Maar ze verwarren nu mestfraude met de boeren die er alles aan doen om hun meest waardevolle product: mest, beter te benutten. Je zou ook zeggen dat iedereen wel kan aanvoelen dat deze aanscherping helemaal niks gaat opleveren. Het draagt niet bij aan verminderen van de milieuproblemen, maar het gaat wel de kostprijs verder verhogen en volgens mij werkt het alleen maar nog meer fraude in de hand.

Ik denk dat we moeten nadenken hoe de sector een knip kan maken tussen de goedwillende boeren en loonwerkers….en het kleine clubje wat fraudeert. Ik ben niet naïef, want mest is de afgelopen decennia voor veel veebedrijven een grote kostenpost geworden. En als ik van Utrecht naar het Noorden rijd of van Utrecht naar Zeeland, dan haal ik minimaal 20 mesttransporten in. Misschien is dat omdat ik de snelheid overtreedt, maar volgens mij geeft het vooral aan hoe enorm groot de belangen van de BV mest zijn.

Laten we beginnen met iedereen die geen mest afvoert of mest aanvoert een vrijstelling te geven. Iedereen die wel mest aan- of afvoert of vervoert misschien 2 waarschuwingen geven? Bij de 3overtreding mag je geen mest meer transporteren? Veehouders en akkerbouwers die gaan werken met vaste langjarige samenwerkingsverbanden in de regio mogelijkheden bieden voor vrijstelling? En misschien liggen er ook nog hele andere oplossingen. Mest is een probleem omdat het duur is om er vanaf te komen. Misschien helpt een verbod op kunstmest dan ook. Goed voor het milieu, Groningen zakt niet meer zo hard en mest word goedkoper. Als de sector dit dossier aan Cumula gaat overlaten vraag ik me af of het goed gaat komen. Beter kan de periferie (loonwerk, voerfabrieken, verwerkers, enz enz) pas in 2e instantie aan tafel. Het dossier moet door de boeren zelf aangepakt worden, want de kans dat de sector definitief het vertrouwen verliest van het publiek is veel te groot. Ik heb de waarheid zeker niet in pacht, maar ik wens de belangenbehartigers veel succes en vooral ballen toe. Wees ook zuinig op deze Minister, en laat het niet de zoveelste zijn na Braks die verzuipt in het mestmoerras. Er liggen nog andere, minstens zo belangrijke, opgaves op haar bordje.

54. Koninklijke kringlopen

Ik wist het al een tijdje, maar ik mocht er niks over zeggen. In de zomer werd ik gebeld in verband met een werkbezoek van de Koning aan het Ministerie van Landbouw. De Koning wilde weten wat kringlooplandbouw nu eigenlijk precies inhield? Ik twijfelde eigenlijk niet en dacht meteen aan het bedrijf van Erik Smale in Joppe. Een bedrijf gericht op een maximale benutting van het eigen land en zo weinig mogelijk aankopen. Lage kosten, eenvoudige bedrijfsvoering, koeien met een optimale productie, zoekende naar een compleet rantsoen van eigen bodem. En belangrijk: iemand die dat ook heel goed kan uitleggen. Er mochten geen andere mensen bij het bezoek aanwezig zijn en op een bepaald moment viel ik zelf nog bijna van het lijstje. Dan had ik mooi gezichtsverlies geleden bij al mijn vrienden, want ik had in de kroeg al staan opscheppen dat ik Willy zou gaan ontmoeten.

Maar op dinsdag 28 november was het zo ver en reed de “AA-86” het erf van Erik op. Eerst wat mannen met oortjes, alles strak volgens protocol. We hebben de Koning verteld erg vereerd te zijn met het feit dat hij aandacht besteed aan de landbouw en een “normale” boer bezoekt en niet een high-tech prestige project. Het viel ons op dat hij inhoudelijk erg goed op de hoogte was. Hij vroeg ook “waar kringlooplandbouw eigenlijk knelde?” We vertelde dat dierlijke mest nog teveel als probleem wordt gezien, terwijl het voor de boer de meest waardevolle grondstof is om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden. En toen we het bijvoorbeeld over de 80% eis gekoppeld aan de derogatie hadden, stelde hij Minister Schouten de vraag: “Waarom is dat nog niet geregeld?”. We hebben ook de discussie gevoerd over de noodzaak die veel boeren ervaren om intensiever te worden en het gebrek aan goede verdienmodellen voor een meer grondgebonden landbouw. Erik maakte duidelijk dat de sector ook het vertrouwen moet krijgen. De voorlopers laten zien dat het anders en beter kan, maar geef ze dan het vertrouwen om hun bedrijf naar eigen inzicht te runnen. Het was ons duidelijk dat de Koning erg trots is op de sector en op de melkveehouders! Iets wat we via deze column graag aan jullie willen overbrengen, want daar werken jullie tenslotte allemaal aan mee.

Ik kijk terug op weer een heel bijzonder jaar. Op onze Boerenverstand eindejaarsborrel presenteerde Jan Douwe van der Ploeg ons nog een briljant simpele grafiek: totaal kg N aangekocht uit (kracht)voer uitgezet tegen totaal kg N aangekocht uit (kunst)mest. En dan is elk jaar een stip in de grafiek. Daaruit was duidelijk te zien hoe een bedrijf door de jaren heen zoekt naar een nieuwe balans tussen voer (eiwit) aankopen en kunstmest. Te weinig kunstmest, geeft weer te lage eiwitgehaltes in de kuil en kost weer meer eiwit in voeraankoop. Als Boerenverstand hebben we de conclusie getrokken dat we ons minder moeten laten afleiden door kringloopwijzer-berekeningen en discussies, maar ons moeten blijven focussen op de basis van kringlooplandbouw: beter voer winnen voor de koe en betere mest maken voor de bodem!

53. Allrounders nodig

In de provincie Drenthe loopt een bijzonder initiatief: “duurzame melkveehouderij Drenthe”. De bedoeling is dat elke melkveehouder een duurzaamheidsplan laat opstellen samen met een adviseur. De thema’s zijn: het sluiten van kringlopen, sociaal economisch, biodiversiteit, watermanagement, bodemgebruik en energiebesparing. Er was een pilot met 50 duurzaamheidsplannen en nu een opschaling naar nog eens 200 plannen. De subsidieregeling bestaat naast het plan uit een beloningsregeling en een “mandje” met doorverwijzingen naar verdiepende kennis en adviezen. In de beloningsregeling gaat het om een bovengemiddelde score op kengetallen zoals broeikasgasuitstoot, stikstof- en fosfaatbodemoverschot, ammoniakemissie en weidegang. Het opstellen van het plan levert geld op en je kunt, als je de streefwaardes haalt, 1500 euro verdienen. Ook zijn er kennisvouchers voor verdieping. In totaal is er tot 7500 euro per bedrijf beschikbaar.

Het valt me allereerst op dat er in de provincie Drenthe een hele ontspannen sfeer is tussen landbouw en natuur, een sfeer van: we lossen het samen wel op. De Natuur-en milieufederatie zit, naast LTO en DAJK in de stuurgroep. Ik kom in meerdere provinciehuizen door het land, maar ik zou zeggen stuur die ambtenaren eens een keer op excursie naar Drenthe. Ik ken weinig subsidieregelingen die zo boervriendelijk zijn. Maar we komen met het project ook een beetje in de “problemen”. Er zijn meer onafhankelijke en ervaren erfbetreders nodig. Niet alleen met technische kennis, maar ook met gevoel voor, laten we zeggen, de boerenpsychologie. Om een goed duurzaamheidsplan op te stellen gaat het ook over de situatie die je aantreft. Er komt ontzettend veel op de boer af en waarmee is het bedrijf dan daadwerkelijk geholpen? Tot mijn verbazing waren de duurzaamheidsplannen die ik onder ogen kreeg nogal gedetailleerd met soms een complete vergunningsscan. Misschien ook wel begrijpelijk, want er lopen in onze sector voornamelijk specialisten rond. Voor het uitrekenen van rantsoenen, vergunningen aanvragen, boekhoudingen opstellen, fokadvies geven, enz. De meeste erfbetreders die komen ook iets verkopen. Zeg maar gerust alle erfbetreders die je niet direct zelf hoeft te betalen. Maar om een goed duurzaamheidsplan op te stellen hebben we onafhankelijke all-rounders nodig. Iemand die met een rondje door de stal en over de voerplaten, met een snelle blik in de huiskamer en een ontmoeting met de rest van de familie, al snel kan inschatten welk advies op het bedrijf gaat landen. Misschien zijn het vooroordelen, maar zelf kijk ik ook altijd wel even hoe de zaak “aangeveegd is” en naar het type tractor.

Ik merk het inmiddels ook bij de melkfabrieken, maar er is een tekort aan deze “allrounders”. Adviseurs die geen belang hebben, maar al heel snel zien wat er op het bedrijf moet gebeuren. Waarschijnlijk zijn die de afgelopen jaren allemaal wegbezuinigd. In elk geval wordt het de hoogste tijd om meer generalisten op te leiden en in te zetten. Adviseurs die de hedendaagse complexiteit van (economische) duurzaamheid kunnen overzien en goede plannen en adviezen kunnen achterlaten.

52. Nu doorpakken!

Eindelijk presenteerde Minister Schouten haar visie: Nederland moet koploper in kringlooplandbouw worden. Op zaterdag 14 juli heb ik het voorrecht gehad om de regeringspartijen een paar uur lang te informeren over kringlooplandbouw. En als ik nu de visie lees ben ik best trots dat ze goed geluisterd hebben. Tijdens de lancering van de visie op zaterdag 8 september was er een bijzonder positieve sfeer. Een sfeer van verbondenheid tussen gangbaar en bio en tussen landbouw en natuur. We zaten letterlijk op de compostbodem van de vrijloopstal van een biologisch-dynamische boer en kregen een reflectie op de visie vanuit twee nuchtere gangbare kringloopboeren. In de visie staan veel mooie woorden over efficiënter grondstoffengebruik, dus dat is minder krachtvoer, minder kunstmest, meer samenwerking met de akkerbouw, etc. Helaas staat er ook een zin over “bewerkte mest”. Als dat maar niet de deur open zet naar die onrendabele mestvergisters!

De eerste reacties vanuit de natuur-en milieuhoek op de visie kwamen ook al snel los; dat er veel te weinig over natuur in staat. Natuur hoopte op een koerswijziging, en doelt vooral op minder vee in Nederland. Ik hoop toch dat die clubs inzien dat we nu in elk geval totaal de verkeerde koers te pakken hebben met ons natuurbeleid wat gekoppeld is aan ammoniakberekeningen. Want dat resulteert in mestgassen afzuigen, aanzuren, roosters met klepjes, luchtwassers… Binnen de kringlooplandbouw willen we liever een koetje meer en dan gaat het over goede mest maken. En als er één partij gebaat is bij goede mest, dan is het de natuur wel! Dat had Schouten wat mij betreft mooi kunnen inkoppen.

Maar nu? De sfeer zit er in weer in, maar we moeten ook aan de slag! Ik presenteer op onze eigen website www.kringlooplandbouw.nl een samenwerking tussen verschillende partijen die op dit moment vanuit de boerenpraktijk werken aan kringlooplandbouw. Ik kan me persoonlijk weinig voorstellen bij kringlooplandbouw zonder over grondgebondenheid te praten, dus dat is een belangrijke basis. Maar Nederland kent verschillende soorten en maten kringloopboeren. De afgelopen jaren is met hen een enorme hoeveelheid kennis, publicaties, filmpjes en lesmaterialen ontwikkeld, volgens mij hebben we daarmee al een hele mooie basis. Maar er liggen ook nogal wat uitdagingen om kringlooplandouw succesvol te maken en het grote peloton melkveehouders te overtuigen dat met kringlooplandbouw ook geld te verdienen is. Ik nodig u via deze weg uit om met mij mee te denken. Want waar zit de wet-en regelingeving kringlooplandbouw precies in de weg? En wat heeft u als melkveehouder nodig om de krachtvoer- en kunstmestkraan verder dicht te draaien en kringlopen verder te sluiten? Ik hoor graag van u, want dan leggen we dat voor aan de Minister.

51. Droogte

Mijn hele leven lang moet ik al verhalen aanhoren over de droogte van 1976. Zelf was ik toen pas 3 jaar oud. Wij thuis hebben ook een regeninstallatie aangeschaft vanwege 1976, want dat nooit meer. Nu is de situatie erger dan in 1976 en de bruine weilanden die ik in sommige delen van Nederland zie zijn serieus om te huilen. Er is natuurlijk al veel over de droogte gezegd en geschreven. Boeren die eerder werden uitgelachen omdat ze altijd enorme voorraden graskuil aanhielden, lachen nu misschien het hardst? Want we weten in elk geval zeker dat het voer duur zal worden. Toch een poging om wat tips mee te geven. Mijn vader was al vrij stellig: “koeien verkopen!” Minder voer, dus zorgen dat je deze winter minder dieren hebt. Dat past natuurlijk mooi in het fosfaatreductieplan, maar is nogal een emotionele aangelegenheid. Dan zou ik zeggen vrij rap een “stal-voerbalans” op gaan stellen. Weet u niet meer hoe dat moest? Vast nog wel ergens in een oud schoolboekje te vinden? Anders google “stal-voerbalans” en dan vind je een Excell van het Groene Kennisnet, AOC Oost. Hoeveel energie en eiwit ligt er op het erf? en hoeveel moet er bijgekocht gaan worden? Die berekening is natuurlijk nogal afhankelijk van de voerefficiëntie. En dan is misschien deze winter het uitgelezen moment om daar eens serieus mee aan de slag te gaan. Want daar praten we ook al 20 jaar over, maar er zijn slechts een paar bedrijven die er ook actief op sturen. Meer melk uit een kilogram drogestof! Een kilootje mooi hooi per koe per dag door de voermengwagen om de penswerking te stimuleren? Een koe kan met meer structuur, meer herkauwen en vooral meer penseiwit aanmaken en daardoor veel efficiënter worden. En goed hooi had dit jaar moeten lukken.

Komt er 1 liter melk uit 0,9 kg drogestof? Of komt er 1 liter melk uit 0,7 kg drogestof? Dat scheelt op jaarbasis bij 1 miljoen liter melk theoretisch 200.000 kg drogestof! Gelijk aan zo’n 57 ha kuilgras of 14 ha mais. Allemaal theorie natuurlijk, maar al zou het de helft zijn, is het nog steeds heel veel. En ook niet te onderschatten: de hoeveel jongvee. Beter oudere koeien aanhouden en fors gaan snijden in het jongvee.Het zal voor sommige geen makkelijk jaar worden, zeker niet nu Trump de wereldhandel behoorlijk aan het verstoren is. Want voor je het weet schieten de tarwe en sojaprijzen verder omhoog. Nu praten we al een aantal jaar over een grondgebonden melkveehouderij. En recent is besloten dat het kengetal: “percentage eiwit van eigen land” daarin centraal komt te staan. Ik hoop dat u begrijpt dat dit ook keihard in uw eigen belang is. De bedoeling is te sturen op een melkveehouderij die minder afhankelijk wordt. Het zou namelijk zo moeten zijn dat bedrijven met veel eiwit van eigen land eenvoudiger dit soort periodes kunnen overbruggen. En er zitten twee kanten aan dat kengetal: de hoeveelheid die je van je eigen gronden oogst, de grondgebondenheid en de keuze daarbij om gras, mais of andere voedergewassen te verbouwen. En, minstens zo belangrijk: de benutting van de veestapel om van dat eigen voer, van dat eiwit, weer melk te maken.
Ik weet het, de beste stuurlui staan aan wal, en het zal voor sommige absoluut niet meevallen om deze periode weer te boven te komen. Maar probeer zo’n stal-voerbalans op te stellen en ga serieus aan de slag met de voerefficiëntie bijvoorbeeld binnen studiegroepen. Ik wens die er door getroffen zijn in elk geval veel sterkte met deze situatie en U hoort weer van me.

50. Rotte mest

Soms gebruik ik expres een term als “rotte mest”. Zo vind ik oprecht dat veel goedgekeurde Maatlat Duurzame Veehouderijstallen in de regel gewoon rotte mest opleveren. In combinatie met de verplichting om die rotte mest ook nog eens zo diep mogelijk in de zode te injecteren, kun je je afvragen waar ons milieubeleid eigenlijk toe leidt? Ook de door mij bekritiseerde mono-mestvergisters leveren in elk geval geen betere mest op. Boeren klagen inmiddels over een afname van de bodemvruchtbaarheid, maar alles en iedereen stimuleert het maken van rotte mest en het vernielen van de zode.

Nu had ik het voorrecht om Minister Schouten toe te spreken, samen met de landbouwvertegenwoordigers van de regeringspartijen. Die heb ik ook stap voor stap meegenomen in het hele kringloopdenken: gezonde bodems, gezond voer, gezonde koeien EN waardevolle mest!  Ik mocht een uur lang op ze inpraten, dus hopelijk is er wat blijven hangen.

Mest verbeteren binnen een drijfmestsysteem begint eigenlijk met structuurrijker en eiwitarmer voeren. Het oude Jaap van Bruchem verhaal, waar hij op de Minderhoudhoeve successen mee heeft geboekt. Verder is het eigenlijk heel logisch: Hoogwaardige compost, daar moet je voor betalen en rotte zeugengier, daar krijg je geld bij. Er is ook een groot tekort aan goede mest en een groot overschot aan slechte mest. Waarom? Een dichte roostervloer met een luchtwasser heeft de laagste emissiefactor, maar een compoststal de hoogste. En neem het beluchtingssysteem voor drijfmestkelders: aeromix. Dat geeft een veel homogenere mest en de kwaliteit van de mest verbeterd: er vind geen verrotting meer plaats. Maar de RAV commissie geeft het systeem een hoge emissiefactor.

We lopen helemaal vast in dit ammoniakbeleid. Als een boer iets innovatiefs bedenkt moet hij voor kapitalen metingen laten uitvoeren om op die RAV lijst te komen. Precies als voor een mesttank. Vervolgens stoppen we die emissiefactoren in AERIUS, het rekenmodel van de PAS. Op basis daarvan rekenen we de effecten door op de natuur en delen we vergunningen uit. Vooropgesteld moet wel worden dat dit model voor de sector werkt, er kunnen immers op die basis vergunningen uitgedeeld worden. De boer investeert keurig in een emissiearme stal en de overheid doet daar nog wat subsidie bij. Maar dat het werkt wil allerminst zeggen dat het ook beter is. Ik heb het idee dat LTO zich bij dit systeem heeft neergelegd, alle publicaties van Geesje Rotgers ten spijt. Iedereen snapt dat dit spoor vastloopt. We hebben inmiddels de mestkelders en mestopslag zo dicht afgesloten dat die dampen vervolgens er ergens anders toch wel weer uitkomen. Maar dat interesseert niemand meer.

Ik stel voor dat onze landbouwvertegenwoordigers in de Tweede Kamer gaan pleiten voor een “ammoniak reset”. Het opnieuw ontwerpen van stikstofbeleid. Een beleid waarin de bodemvruchtbaarheid centraal komt te staan en dus het produceren en benutten van goede mest. Dat zal de, door dit kabinet zo begeerde samenwerking met de akkerbouw, ook een stuk eenvoudiger gaan maken.

49. Verbod zonder alternatief

Het bemestingsseizoen is bijna ten einde en dat betekent volgens het Ministerie dat de sleepvoetbemester definitief de oud ijzer bak in kan. Want ook op klei en veen is deze per 1 januari 2019 verboden. Maar zoals u in dit blad kunt lezen zijn er nog steeds geen serieuze alternatieven. Ook de vrijstellingsregeling voor bovengronds uitrijden loopt af. Hoe moet dit verder? Ik bel regelmatig met Theo Spruit uit Zegveld. Een melkveehouder die al zijn hele leven weigert mest in de grond te stoppen en daarvoor ook al diverse malen is veroordeelt. Hij wist me vol overtuiging te vertellen dat hij, ook in 2019, weer bereid is zich te laten arresteren. Nu is er de afgelopen jaren weet ik niet hoeveel bewijs bij elkaar geharkt om te laten zien dat boeren als Spruit op allerlei duurzaamheidsindicatoren bovengemiddeld scoren. Beter voor de biodiversiteit, de weidevogels, voor het klimaat, voor de waterkwaliteit en voor de bodemvruchtbaarheid. Maar belangrijker: bovengemiddelde grasopbrengsten met (fors) lagere kosten. Maar dat is allemaal niet belangrijk. Spruit voldoet aan 1 ding niet: de ammoniak-emissiefactor van zijn mesttank is te hoog. En het is precies de machine die de NVWA met man en macht handhaaft.

Elk nieuw machientje of stalsysteem moet langst dezelfde meetlat om te bepalen hoeveel ammoniak er vervluchtigd. En dat is A) vreselijk duur om te meter, B) de slager keurt zelf en C) het resultaat is altijd voorspelbaar: hoe dieper de mest in de grond of hoe dichter de stal, hoe minder emissie. We hebben geprobeerd een borgingssyteem rondom het verdunnen van water op te zetten (de mestbox), maar de NVWA denkt alleen maar in mogelijke fraude. Soms denk ik dat er maar 1 manier overblijft om structureel uit de spreekwoordelijke shit te komen: namelijk het benoemen cq certificeren van een “emissiearme bedrijfsvoering”. Ofwel bedrijven vrijstellen van maatregelen en controles wanneer ze een hogere N-efficiëntie kunnen overleggen. De eisen zijn misschien vergelijkbaar zoals nu geformuleerd voor de vrijstelling bovengronds uitrijden. En misschien moeten het 3-jarige gemiddeldes zijn en moeten er een serie aanvullende metingen op bedrijfsniveau aan worden toegevoegd, denk aan checks op het nitraatgehalte.

De “emissie arme boeren” zouden van het Ministerie de kans moeten krijgen zich de komende jaren beter te onderscheiden: namelijk als boeren die wel rekening houden met de weersomstandigheden bij het mest uitrijden, die werken aan een betere mestkwaliteit met minder ammoniakale stikstof en aan het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid. Ze zijn flexibeler en kunnen met een eigen tankje optimaler en tegen geringere kosten werken. Zij kunnen de samenleving laten zien dat hun buurman, die de loonwerker al een paar weken geleden moest boeken, met allerlei precisie-technologie rotte zeugengier aan het injecteren is bij 30 graden, geen wolkje aan de lucht en ook geen regen voorspelt voor de komende 5 dagen.

De “emissie-arme boeren” of zoals u wilt “kringloopboeren” of helemaal hip “natuur-inclusieve boeren” hebben mogelijk meer oplossingen voor al onze maatschappelijke opgaves dan we ooit met een zodebemester of luchtwasser zullen bereiken. De enige die daarvan nog overtuigd moeten worden zijn de ambtenaren op het Ministerie of beter, de NVWA. Alles lijkt op tafel te liggen voor een dergelijk “alternatief spoor” wat niet meer gebaseerd is op emissiefactoren van machines en stallen, maar op hogere stikstofefficiënties en op meer inclusievere duurzaamheidsdoelen. De tijd zal leren wat beter is voor de natuur, want je zou bijna vergeten dat het hele emissiebeleid daar allemaal om te doen was.

48. Precies mis

Er is iets veranderd in Nederland. De goeie ouwe kringloopboer is niet meer precies. De boer die met zijn ouwe tankje mest uitrijdt, met een simpel pendelstrooiertje 2 zakken KAS weet te verdelen over een hectare en met een afgedankt schepje elke koe apart voert is blijkbaar niet precies genoeg? Want volgens het Nederlands centrum voor precisielandbouw bemest hij niet met de juiste flexmeststof en met een GPS gestuurde rijenbemester. Het is tegenwoordig precisielandbouw voor en na. Internet of Things, big data, sensoren, zelfsturende tractors, drones, het ontwikkeld zich in rap tempo. En allemaal claimen ze dat U er heel veel geld mee kunt verdienen. Toegegeven dat ik zelf ook best fan ben van nieuwe technologieën, heb ik toch het idee dat hier vooral de commerciële belangen lijdend zijn. Nieuwe verdienmodellen van machinebouwers en loonwerkers? Het is absoluut een goede zaak dat we netter met onze meststoffen omgaan, en niemand kan tegen precisielandbouw zijn, maar om het nu te presenteren als DE oplossing voor het sluiten van kringlopen? Ik denk dat elke boer prima zelf kan uitzoeken hoe hij zijn kringloop sluit en als er nog steeds 100 kg N per hectare teveel kunstmest wordt gestrooid of 25 kg krachtvoer per 100kg melk terwijl de kuilhopen van vorig jaar er nog liggen, dan zou ik me toch vooral daar eerst maar eens op gaan focussen. Ofwel hoofdzaken en bijzaken. Ik kan het niet laten, maar hieronder een aantal voorbeelden van precisielandbouw in de praktijk:

  • Precies bemesten met de GPS rijenbemester terwijl de bodem verdicht is;
  • Omdat de put op 15 februari precies vol zit, 50 m3 drijfmest uitrijden onder elke omstandigheid;
  • Precies 40 m3 zeugengier (met geld toe) injecteren terwijl de zon aan de hemel staat;
  • De koeien heel precies een rantsoen voeren van 168,50 g RE/kg ds;
  • Precies bemesten zonder überhaupt te weten welke gehaltes aan N en P in je drijfmest zitten;
  • Precies het rantsoen tot meerdere cijfers achter de komma berekenen terwijl de stoom uit de kuil slaat.

Vergeet niet dat de meerderheid van de melkveehouders al sinds de jaren 80 met een voercomputer elke koe precies op 0,1 kg nauwkeurig krachtvoer kan voeren, maar toch tot op de dag van vandaag precies 4,23 euro voerkosten per 100 liter melk teveel heeft. Technologie kan zeker ondersteunen en vooral wat betreft de bodem hebben we nog een groot gebrek aan informatie. Maar de beloftes van preciesiebemesting moeten niet overdreven worden. Uiteindelijk moet het gerealiseerd worden door mensen, en dan is het toch precies het boerenverstand wat in 94,87% van de gevallen mist.

47. Oostvaardersplassen

Misschien mag ik dit niet schrijven, maar ik denk dat u zich, net als ik, kostelijk vermaakt over alle commotie rondom de Oostvaardersplassen. De dierenvrienden versus de natuurvrienden. Een van de, voornamelijk vrouwen op leeftijd, schreeuwde: “dit is een concentratiekamp voor dieren! Er zit een hek omheen”. Onder veel maatschappelijke druk werd er uiteindelijk toch hooi bijgevoerd. Even waren boer en burger het ook met elkaar eens: dieren moet je goed verzorgen, en richtte de woede zich voornamelijk op Staatsbosbeheer. En dan komen er reacties vanuit ecologen en bijvoorbeeld vanuit het Wereld NatuurFonds dat er eigenlijk een verbinding had moeten zijn met de Veluwe. Tja, eigenlijk hadden er misschien wel 60% minder mensen in ons land moeten wonen. Volgens oud staatssecretaris Henk Bleker was al het vee zeker weten naar de Veluwe getrokken als die verbinding gemaakt zou worden en hadden ze vervolgens daar het hele landschap veranderd.

Veel geleerden in Nederland vinden dat “boer en natuur” nooit samen kunnen. Maar ik denk dat we nu toch ook voldoende bewijs hebben dat de “burger en natuur” of de “overheid en natuur” ook zeker niet samen kunnen. Laten we een beetje realistisch blijven met zijn allen. Op de Veluwe worden de herten ook afgeschoten als er teveel rondlopen. En dat is niet zielig? Maar wat me nog het meeste boeit: Als er een paar bijzondere vogels, zeldzame woelmuizen of met uitsterven bedreigde libellen waren doodgevroren, dan had je er vermoedelijk niemand over gehoord. Maar nu zijn het paarden. En tja, dan raak je de paardenmeisjes natuurlijk diep in hun hart. Een paard moet je borstelen, kammen, invlechten, sokjes omdoen, enzoverder. Dus waar is dit ecologische experiment ooit mis gegaan? Waarom hebben ze die koningspaarden bedacht? We wonen in Nederland. Nederland met 5!! zetels voor de Partij voor de Dieren. Toen ze die Oostvaardersplassen achter het bureau bedachten speelde dat natuurlijk nog niet, inschattingsfoutje? Laten we wel wezen, als de mens nooit de afsluitdijk had aangelegd en vervolgens de Flevopolders, dan waren die plassen er toch ook nooit geweest?  Ik hoorde trouwens dat de Dierenbescherming jarenlang een zetel had in de maatschappelijke klankboardgroep van Staatsbosbeheer? Dus die wisten gewoon heel goed over het hele beleid van de Oostvaardersplassen. Ze hadden ook zelf hun achterban kunnen informeren, toen, maar zeker ook nu. Eigenlijk had Staatsbosbeheer een dialoog moeten opstarten met de demonstranten. Alhoewel de mensen die ik op TV zag die hele complexe boodschap rondom de Oostvaardersplassen waarschijnlijk toch nooit begrepen hadden. Die mensen houden vermoedelijk zelf hun hondje op 1 x 2 m2 op het balkon.

Wat kunnen we hier nu van leren? In elk geval dat je je jonge lammetjes nooit in een doos moet zetten voor een uitzending van Boer zoekt vrouw.

46. Stop de derogatie?

Er is een nieuwe actiegroepering, tenminste ik kende ze nog niet: de stichting Dier&Recht. En die zijn begonnen met een actie: stop de derogatie. Kijk maar eens even hier:  www.dierenrecht.nl/derogatie  Toen ik dit schreef hadden ze al de benodigde 10.000 handtekeningen om, zoals ze schrijven “Brussel te laten weten dat ze schoon genoeg hebben van stront, fraude en misstanden in de Nederlandse vee-industrie”. Die stichting Dier&Recht is van hetzelfde soort als varkens in nood, megastallen nee, milieudefensie, enzoverder. Deze actiegroep blijkt er vooral op uit te zijn om de Nederlandse varkenshouders om zeep te helpen. Hun redenatie: zonder derogatie moet de melkveehouderij ook mest gaan afvoeren, die hebben meer geld, Betere mest en drukken daarmee de varkenshouders van de markt. Ieder van u word hier vermoedelijk, net als ik, pissig van. Misschien heeft u ook de neiging tot fysiek geweld? of om onmiddellijk te verhuizen naar een ander land? Derogatie is bedoeld voor gewassen die meer dan gemiddeld nutriënten onttrekken aan de bodem, zoals bijvoorbeeld grasland. Derogatie is noodzakelijk om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden. Zonder derogatie moet een melkveehouder niet alleen N en P afvoeren, maar ook organische stof en tal van andere waardevolle mineralen en spoorelementen. En wat moet hij daarvoor terugkopen? Juist: kunstmest en mineralen! Dus waarom richten ze hun peilen niet op de kunstmestindustrie? En waarom komt er geen petitie voor het kunstmestloos boeren? Deze groeperingen lijken echter helemaal niet geïnteresseerd in echte oplossingen, maar willen gewoon minder vee in Nederland.

Met eenzelfde communicatiecampagne zou je het publiek ook kunnen overtuigen dat zonder derogatie er weinig voordelen meer voor grasland zijn, de koe uit de wei verdwijnt, het grasland omgeploegd wordt in maïsland, meer soja geïmporteerd wordt, organische stofgehaltes zullen dalen, het kunstmestgebruik verder zal toenemen en het klimaat netto alleen maar verslechterd. Maar wat kunnen we hier nu tegen doen? Daarover wil ik wel eens met u in discussie: hoe onderscheiden we de goedwillende ten opzichte van degene met kwade bedoelingen? Ofwel de boeren die de zaak keurig op orde heeft, serieus behoefte heeft aan meer mest, ten opzichte van de bedrijven die meewerken aan de fraude. Want we gaan nog wat meemaken met betrekking tot die fraude, de pers zit er bovenop. Eerder schreef ik al dat LTO zijn ledenbestand misschien wat actiever moet uitdunnen. Kiezen voor de betere boer. Dat moet Cumela misschien ook gaan doen. Maar er is meer nodig. En dan moeten we leren van het EKO keurmerk. Zij hebben een aantal hele duidelijke eisen waar bedrijven aan moeten voldoen en de stichting SKAL controleert het onafhankelijk. Daarom krijgt biologisch overal voorrang of voordeel bij de overheid. Dus kunnen we de betere melkveehouder ook niet borgen en onafhankelijk certificeren? En iedereen zonder certificaat die kan zelf zijn derogatie gaan ophalen in Brussel. Dus er moet ook actie komen richting de eigen achterban! Daarmee dwing je ook respect af richting samenleving. Maar of dat lukt? Op dit moment is de solidariteit binnen de sector natuurlijk ver te zoeken.

45. Onafhankelijk?

Elke melkfabriek heeft tegenwoordig een duurzaamheidsprogramma. Het idee is om de boer meer kennis aan te bieden hoe te verduurzamen. Ooit begonnen bij Ben&Jerries en CONO die al sinds 2010 workshops organiseren voor hun leden. Maar dan is er ook nog een melkfabriek die alles net even handiger doet: A-Ware en Fonterra. Deze nieuwkomer hoef je niet te leren fietsen. Die kopen Oenkerk op en sturen hun boeren er vervolgens op cursus. Maar laatst kreeg ik de flyer in handen van hun duurzaamheidsprogramma en hun slimheid gaat mij ook wel wat ver. Je leert zuinig rijden met BP, je stal verlichten met Kromwijk, koeien melken met een Lely robot, machines afstellen met Kamps de Wild, zuinig voeren met ForFarmers, stieren selecteren met Semex, financieren met de Rabobank en kalveren opfokken met Denkavit. Hoe afhankelijk wil je zijn als melkveehouder? A-ware laat de keuze hoe te verduurzamen verder helemaal over aan de boer. A-ware zit vooral in NoordNederland, dus ik zou wel willen adviseren die bedrijven vooral te leren melken van hun eigen ruwvoer. Zeker met dat nieuwe concept voor Albert Hein wordt dat prioriteit. Lovenswaardig is overigens wel dat A-ware diverse concepten biedt voor het afzetten van melk, en dat worden er meer. Voor elk type boer een eigen concept.

Volgens mij moeten melkveehouders via de duurzaamheidsprogramma’s van de fabriek vooral slimmer worden en de toeleverende business op gezonde afstand houden. Laatst heb ik een workshop gegeven op de avond van de Utrechtse melkveehouderij. Dat deed ik samen met een melkveehouder die gebruik maakt van mijnvoer.nl, een onafhankelijk voeradviseur heeft en met een heel simpel voerwagentje voert. Daar kun je pas wat van leren! Hij liet de aanwezigen zijn “optivoer” krachtvoerbon zien en vertelde dat hij alleen grondstoffen wil die zijn koeien nodig hebben en passen bij zijn ruwvoer. In dit geval waren de hoofdbestanddelen: maismeel (25%), raapschroot (25%), sojaschroot (25%), gerst (15%). Hij vertelde ook dat alle mengvoeders worden geoptimaliseerd op VEM (940 of 980) en er daarom vaak goedkope “afvalgrondstoffen” bij worden gemengd om de VEM weer naar beneden te stellen. Het mag duidelijk zijn dat precies hier nog een wereld aan kennis te winnen is. Ik wil geen onrust stoken, maar zorg wel dat u de juiste kennis aangeboden krijgt als u van uw melkfabriek op cursus moet.

En tegen de melkfabrieken zou ik willen zeggen: selecteer een aantal voorlopende melkveehouders uit Nederland en stuur de melkveehouders daar naar toe op cursus. Zet er een expert naast en zorg dat er laagdrempelig “boer tot boer” onafhankelijke kennis op het erf komt.

44. Sterrenmelk

U ziet ze vast wel eens ergens op staan, de 3 “beter leven” sterren van de Dierenbescherming. Gericht op dierenwelzijn, begonnen bij vleesvee en eieren. Op de site van het Voedingscentrum (eerlijk over eten) staat het volgende: “De Dierenbescherming heeft een kenmerk ontwikkeld om diervriendelijke producten te ondersteunen. De dieren zijn diervriendelijk gehouden. Dit zijn vaak biologische producten.” 

Opmerkelijk is dat er eerst stond “dit zijn biologische producten”. Vooralsnog stond het keurmerk dus alleen op vlees en eieren, maar ze verschenen ook plotseling op de biologische melk van de Albert Hein en daar staan ze nog steeds op. Toen werd ik toch een beetje achterdochtig. Enerzijds was ik gevraagd mee te denken over de criteria voor de sterren voor zuivel en daar zijn ze nog lang niet mee klaar en anderzijds: waarom krijgt biologische melk bij voorbaat 3 sterren? Is biologische melk diervriendelijker dan gangbare melk?

Vanuit de maatschappelijke organisaties gezien zijn de sterren een succesverhaal. Het label bestaat inmiddels 10 jaar en is een duidelijk keurmerk geworden. Het is een van de redenen om naast dierenwelzijns criteria de sterren uit te breiden met natuur- en milieucriteria, dat gaat via de stichting Natuur&Milieu. Maar gangbaar dier- en milieuvriendelijk heeft nu al wel een enorm communicatieprobleem. Want misschien moet melk uit een vrije keuzestal van een kringloopboer wel 3 sterren krijgen? Zijn stallen van biologische melkveehouders anders of beter dan gangbare? Want biologische koeien gaan ’s winters ook gewoon op stal. In de voorwaarden voor het EKO keurmerk staan eisen als meer m2 per dier, minimaal 3 maanden zoogperiode en strengere voorwaarden voor antibiotica. Verder: biologisch krachtvoer en maximaal 40% krachtvoer, wat toch ook fors is.

Voor de gangbare zuivel lijkt het eigenlijk alleen nog maar interessant om te werken aan criteria om 1 ster te kunnen krijgen. Want als biologisch al 3 sterren heeft gekregen, welke consument interesseert het dan nog of iets 2 sterren heeft? Mijnsinziens moet een goede kringloopboer toch wel een ster kunnen verdienen, niet? Maar er is ook al een weidemelkkeurmerk (met criteria en logo) en er is GMO vrije melk. We werken ook al aan “weidevogelmelk”, misschien is dat wel 1 ster waardig? Ik vind het lastig. Volgens mij moet er heel goed naar de behoeftes van de consument gekeken worden. En dan is het misschien interessanter om “halal melk” te gaan produceren. Hoewel ik vrees dat “halal melk” met de rituele slachting nooit een ster van de dierenbescherming zal krijgen. Het is een zoektocht in keurmerken land. Ik zie zeker de kansen, maar ik zou u toch willen uitnodigen vooral actief mee te doen aan de discussie over de criteria, anders beslissen anderen over u!

43. Vier tips voor Carola

Ik weet natuurlijk niet of ze dit leest, maar ik kan het proberen:

Tip 1: Kringlooplandbouw centraal

Er moet samenhang komen in het N, P en C (het stikstof, fosfaat en klimaat) beleid. Het doel is duidelijk: minder uitstoot, betere benutting van mest, minder kunstmest en krachtvoer. 2017 was het jaar waarin aan het licht kwam dat er miljarden in ammoniakmaatregelen zijn geïnvesteerd zonder effect. De werking van de middelen (dure stallen, verplichte zodebemesters) staat na 25 jaar nog altijd ter discussie, dus ga nu sturen op het doel! Geef melkveehouders ruimte om zelf te bepalen hoe ze hun kringloop sluiten en de verliezen beperken. Het draait nog altijd om N (stikstof), maar N zit in NH3, NO3, N-organisch, N2… dus maak gewoon N-beleid en zet vol in op goede mest van compostkwaliteit! Terug naar de mineralenbalans (lees: de eenvoudige KringloopWijzer) en beloon bedrijven met lage N-overschotten met ontheffingen, zodat ze zelf mogen kiezen om hun mest boven de grond met water uit te rijden

Tip 2: Fosfaatrechten is geen landbouwvisie

Na jaren van optimaliseren binnen een melkquotum, staan we aan het begin van het sturen op een nieuwe factor: fosfaat. De schaalvergroting gaat gewoon verder, het melkveehoudersbestand dunt uit en we gaan de varkenshouderij achterna. Maak eens een stevige visie gebaseerd op diversiteit en waar het gewone gezinsbedrijf centraal staat. Dat zou de kracht van de sector moeten zijn. P-rechten zouden geen geld waard moeten zijn, want dat geld is hard nodig om te investeren in verduurzaming in plaats van schaalvergroting.

Tip 3: Samenwerking akkerbouw

Kan de akkerbouwer binnen zijn rotatieschema bijvoorbeeld voederbieten of gras(klaver) telen voor melkveehouders en daarvoor rundveemest ontvangen? Ook zonder dat daar (dure) eenjarige pachtcontracten mee gemoeid zijn? Werk aan eenvoudige grondgebruikersverklaringen, bijvoorbeeld voor mesttransporten binnen een straal van 15 of 25 kilometer. Noem dit kringloopcontracten zodat de samenleving ook blijft begrijpen wat het uiteindelijke doel is.

Tip 4: Stop met POP

Via het nieuwe plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) moet Europees geld (Nederland is netto betaler) terugvloeien naar landbouwsubsidies. De regeling is niet werkbaar, 40 procent van het budget blijft hangen bij accountants van de overheid en vervolgens gaat nog eens 30 procent van het projectgeld in projectmanagement zitten om te kunnen voldoen aan de strenge RVO-controles. Het is FLOP3 geworden want zowel boeren als projectbureau’s durven geen euro meer uit te geven uit angst om alles terug te moeten betalen. Mik op kleinere projecten met specifieke doelen en sterk resultaatgericht.

42. Pensbestendige vetten

Soms snap ik het even niet meer. Een boer produceert melk, niet voor de fabriek, maar voor een consument. En zeker als die melk de basis is van een kaas met veel toegevoegde waarde (lees Beemsterkaas) en er daardoor al jarenlang een hele knappe melkprijs wordt gerealiseerd …dan zou je toch alles, maar dan ook alles, in het teken moeten stellen van het leveren van een zo hoog mogelijke kwaliteit melk? Of niet? Dus hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat boeren en hun voerleveranciers in protest gaan tegen het besluit van CONO Kaasmakers en NZO om pensbestendige vetten in het rantsoen te verbieden? De kwaliteit van de kaas heeft er aantoonbaar onder te leiden.

Na het quotumtijdperk zijn melkveehouders pensbestendige vetten gaan gebruiken om een hoger vetgehalte in de melk te realiseren. Een hoger vetgehalte betekent immers een betere melkprijs. Volgens Bert van Asselt, onafhankelijk voeradviseur, is het weer helemaal in om in Nederland van alles en nog wat aan het rantsoen toe te voegen. Niet alleen vetten, maar ook ontsloten tarwe en maisvlokken en niet te vergeten de “kleine” producten zoals bijzondere mineralen. Producten die in hele kleine hoeveelheden (10 gram soms al) wonderen zouden moeten verrichten. Dat is dus 10 gram op een rantsoen van 22.000 gram drogestof per koe per dag! Maar u gelooft misschien in een homeopathische verdunning?

Dit soort vetten waren er al in de jaren 80, het is oude wijn in nieuwe zakken. Wat Van Asselt en mij opvalt is dat heel veel veehouders starten met dit soort producten en er ook net zoveel weer mee ophouden. Maar dan heeft het al wel geld gekost. Als alle boeren in Nederland een paar weken pensbestendige vetten proberen, dan is dat best een lucratieve businesscase. Maar wie durft er openlijk voor uit te komen dat het weinig toevoegt? Nu het wat beter gaat met de melkprijs zijn de middeltjesverkopers blijkbaar in staat om u het geld weer uit de zakken te kloppen.

De directeur van Speerstra Feed Ingrediënts geeft in een reactie aan dat het spul 2 jaar houdbaar is. Dus misschien wil hij het wel terugkopen? Of denkt hij dat de storm overwaait en het daarna alsnog gevoerd gaat worden? Ik vind het lovenswaardig dat CONO Kaasmakers een voercommissie heeft ingesteld die zich bezig houdt met de relatie tussen het rantsoen van de koeien en de smaak en kwaliteit van het eindproduct, de kaas. Dat zou eigenlijk elke melkfabriek moeten doen. Terug naar de basis: de beste en smaakvolste melk leveren voor hoogwaardige zuivel. Leer gewoon melk produceren vanuit ruwvoer en laat je vooral niks aansmeren door middeltjesverkopers en voerfabrieken.

41. Feestje voor gras!

Dat was de titel van het afscheidssymposium van Cor Kwakernaak, docent aan het Van Hall Instituut in Leeuwarden. Vele lezers van MelkveeMagazine hebben waarschijnlijk les van hem gehad. Ik niet, maar hij is wel al mijn hele carrière bij me. Vooral als begeleider van stages en tal van afstudeervakkers. Ook heeft hij Kringlooplandbouw binnen het Van Hall een plek gegeven. Cor hielt tijdens zijn afscheidsspeech een bevlogen betoog over gras. Gras is er altijd en overal, zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Het is zo belangrijk, het is zo mooi en het zou meer in de schijnwerpers moeten staan, aldus Cor. Ik ben het daar helemaal mee eens. Gras en melk horen bij elkaar. Gras is een van de meest bijzondere plantensoorten en is eigenlijk voor onze sector de beste marketing die je maar kunt bedenken. Gras legt CO2 vast, wel 22.000 kg CO2 per ha. Precies gelijk aan de uitstoot van de broeikasgassen door koeien. Toeval? Of is melk gemaakt van gras gewoon klimaatneutraal? Wist u dat een grazende koe wel 25.000 happen per dag neemt? Gras komt met meer of minder structuur, met meer of minder energie en eiwit, als hooi, vers, in snelle of trage kuil. Gras levert eiwit zodat we geen soja nodig hebben. Hoe biodiverser het grasland, hoe meer vitamines en mineralen voor de koe. Graskruidenhooi of een graskruidenweitje is de apotheek voor de koe. En oud grasland is een ecosysteem op zichzelf, een soort tropisch regenwoud, een schatkamer van biodiversiteit.

Maar er liggen ook nog wel wat uitdagingen voor de toekomst: Kunnen we nu eindelijk eens preciezer zeggen wat er van een hectare grasland komt? Investeren in een GPR (GraslandProductieRegistratie) net als dat we nu al meer dan 50 jaar in de MPR investeren? Kan de productie naar 13.000 kg ds/ha? En de werkingscoëfficiënt van dierlijke mest naar 80%? Cor presenteerde het GraslandKompas: bodem, bemesting, grasmat, beweiding, voederwinning en conservering. Ook legde hij nog een opvallend statistisch verband tussen de afname van het aantal boeren en de afname van het aantal weidevogels. Conclusie: voor meer vogels zijn gewoon meer boeren nodig! Hij sloot af met een pleidooi om slimmere combinaties te gaan maken: productiegras (eiwit) afgewisseld met kruidenrijke percelen, randen en hoeken. Een oproep naar mijn hart. Pak de perceelskaart van je bedrijf erbij en bedenk hoeveel voer daar vanaf moet komen: hoeveel massa? hoeveel energie? en vooral hoeveel eiwit? en waar kan biodiversiteit invulling krijgen? Een kwestie van gewoon gaan doen!

Maar nu denkt u waarschijnlijk: komt ie in het najaar met een column over gras. Tja, dan heeft u nog de hele winter de tijd om na te denken hoe u in 2018 10 tot 20% meer opbrengst met 10 tot 20% meer biodiversiteit van uw grasland gaat halen.

40. LTO visie

Eind dit jaar wil LTO met een nieuwe visie op de melkveehouderij komen. Dit is ook gelijk de eerste taak van de nieuwe vakgroep melkveehouderij, een flinke klus! Ik ben hier inmiddels ook al voor geïnterviewd, maar via deze weg lever ik ook graag nog wat ongevraagd advies 😉 Allereerst viel me op dat het vrij forse bedrijven zijn die bezig gaan met de visievorming, bijna allemaal 200+ bedrijven. Is dat alvast een voorzet voor de visie? Want een gemiddeld melkveebedrijf heeft nog altijd zo’n 90 koeien. Ik heb ook de vorige visie nog eens doorgelezen, maar die is nog niet echt uitgekomen lijkt het. Misschien moet Hoofdstuk 1 van de nieuwe visie beschrijven of en hoe succesvol de oude visie gerealiseerd is? We mopperen vaak op de overheid en haar beleid, maar ook bij LTO moet een visie niet in een gelikt boekje ergens in de kast eindigen.

Zoals u weet ben ik pro-kringloopwijzer, want daarin zie ik nog steeds kansen om de betere boer te belonen. Maar ik ben geen voorstander van fosfaatrechten zoals die nu uitgewerkt lijken te worden. Elke euro die in fosfaatrechten geïnvesteerd moet worden en die straks verdampt in handel en speculatie, kan niet geïnvesteerd worden in een verdere verduurzaming van de sector. Niet geïnvesteerd worden in een beter imago of in meer grond en belangrijker: in nieuwe verdienmodellen. Elke visie waarbij fosfaatrechten een waarde behouden staat de ontwikkeling van een duurzame melkveehouderij in de weg, toch?

Ik zou het waarderen wanneer LTO met een krachtige visie komt voor de betere, maatschappelijk gewenste, boer. Een visie die goed uitpakt voor het inkomen van boeren en niet voor die van makelaars, voerleveranciers, stallenbouwers, banken, mesthandelaren en voor leveranciers van mestvergissers*. Want in de regel worden die vooral beter van de huidige gang van zaken. Boeren en hun afzet (de melkfabrieken) moeten gezamenlijk een visie vormen. Maar alle toeleveranciers moeten wat mij betreft op gezonde afstand blijven. Want terwijl er nog geen fosfaatrechten zijn, hoor en lees ik al wat erfbetreders vinden wat goed voor u is. Namelijk wat ze altijd vinden: intensiveren en een hogere melkproductie per koe, want daar kunnen zij het meeste aan verdienen.

Als fosfaatrechten fiscaal aftrekbaar worden dan zal schaalvergroting op dezelfde hectares het belangrijkste verdienmodel zijn en blijven. Als dat straks ook de enige visie van LTO is, dan zal LTO leden verliezen en vanzelfsprekend zullen de overgebleven leden passen bij die visie. Ik hoop natuurlijk dat LTO vol zal inzetten op het belang van diversiteit. De tijd van groot, groter, grootst ligt volgens mij achter ons. Het gaat om fatsoenlijke inkomens voor gezinsbedrijven. Meer marge en naast melk ook landschap, diensten en meer voor lokale markten produceren. Het is zeker niet makkelijk, maar kom niet met een mooi boekje over het belang van diversiteit zonder daar ook daadwerkelijk naar te gaan handelen. Er mag best wat rumoer over de nieuwe visie ontstaan, anders is deze bij voorbaat al mislukt, toch?

39. Handreiking KringloopWijzer

In 1998 maakten Jaap van Bruchem en ik een analyse van 60 bedrijven in Oostermeer en Achtkarspelen (Fr). In de Veeteelt publiceerden we dat er bedrijven waren die 3x zoveel stikstof en fosfaat uit krachtvoer en 4x zoveel uit kunstmest nodig hadden voor dezelfde output aan melk en vlees. De best presterende boeren bleken vooral melk te maken van hun eigen ruwvoer. Mest was niet het probleem, maar kunstmest. Toen van 1999 tot 2003 alle bedrijven aan de MINAS moesten, kwamen de zogenaamde “kringloopboeren” in beeld. Zij hadden oplossingen om meer uit minder te halen en daar vooral ook economisch beter van te worden. In 2003 viel MINAS en kwamen er excretienomen en gebruiksnormen. Boeren die hun koeien onder de eiwitnorm voerden, vonden dat hun koeien ook minder N en P scheten dan de norm. Op de AP Minderhoudhoeve voerde Van Bruchem koeien zelfs op 13,5% eiwit. Daarvoor is in 2006 in de wet de “handreiking bedrijfsspecifieke excretie” gecreëerd, het voerspoor, ofwel de BEX.

Rond 2009 kwam CONO met duurzame melk: blije boeren, blije koeien en blije aarde. Voor “blije aarde” was geen meetsystem en daarvoor is eind 2010 het “KringloopKompas” gelanceerd. Eén variant bouwde voort op de BEX met als reden dat daarin al een groot deel van de administratie zat die nodig was om de hele kringloop te beschrijven. De andere variant was een (beperkte) invulset. In 2012 vonden we het tijd om die BEX uit te bouwen tot een model dat de hele N, P en C-kringloop beschrijft. En zo werd de “excretiewijzer” omgebouwd naar de KringloopWijzer. RFC bracht de zaak in een stroomversnelling. Zij hadden niks aan BEX, maar wel aan een instrument wat de CO2-uitstoot berekent en kengetallen als de “footprint” van een liter melk. Nu stelt de zuivel het invullen verplicht en breekt de pleuris uit.

Voor de wet is de KringloopWijzer nog niet bruikbaar, maar ik vind dat het deel van Nederland dat wil afwijken van (fosfaat)excretienormen en bemestingsnormen daarvoor de mogelijkheid moet krijgen. Dus vervang de handreiking excretiewijzer door een handreiking KringloopWijzer en creëer mogelijkheden binnen de fosfaatrechten. Los huidige bezwaren op en ga uit van driejarige gemiddeldes zodat de uitkomsten van de KringloopWijzer ook echt bedrijfsspecifiek en minder fraudegevoelig worden. Koppel het aan een bedrijfsgebonden derogatie, want die is immers ook gestoeld op het idee dat we meer van het land halen, maar dat onderbouwen we nu ook niet.

Maak de regelgeving heel simpel en alles wat wil afwijken mag dat onderbouwen via de KringloopWijzer. Let op! Geheel vrijwillig!!! Mijn streven is een grondgebonden melkveehouderij die zijn grond ook daadwerkelijk benut. De krachtvoerkraan zoveel mogelijk dichthouden en gras produceren vanuit dierlijke mest. En sorry, maar zolang er nog extensieve boeren zijn die boven de 25 kg krachtvoer/100 kg melk zitten is een KringloopWijzer misschien daar nog wel het hardste nodig. Ik hoor dan ook graag de alternatieven hoe anderen denken het kringloopdenken binnen de wet te realiseren.

38. Klimaat (bastion)

Laat ik beginnen met het opfrissen van uw geheugen: het begon ooit met zure regen in de jaren 80 en het eindigt met verplichte brievenbus-roostervloeren, luchtwassers, diep-injectie en gigantische zelfrijdende mestinjecteurs. En nu, zo’n 30 jaar later, zijn er nog altijd heel veel twijfels over wat nu de precieze ammoniakemissie is en wat de effecten op de natuur nu eigenlijk zijn. Gigantische investeringen, faillissementen, rechtszaken en boeren in de cel, miljarden aan onderzoek vertimmerd en ga zo maar verder. De onderzoekers en de overheid vormen, wat treffend genoemd wordt, een ammoniakbastion. Een onneembare vesting waar de boer, maar volgens mij even zo goed ook de natuur, de dupe van is. Had al die miljarden maar geïnvesteerd in goede mest en kruidenrijke graslanden, dan was er nu meer biodiversiteit dan ooit tevoren geweest.

En nu staan we aan de vooravond van het volgende hoofdstuk: klimaat. Vooropgesteld dat ik vind dat iedereen kan bijdragen aan het verminderen van broeikasgassen, wil ik toch bij deze alle boeren en vooral alle boerenbestuurders waarschuwen. Ik voel aan mijn water dat dit verkeerd gaat. Want ik ken de formules en aannames achter de berekeningen van de broeikasgassen voor onze sector. Daaruit kun je afleiden welke maatregelen gaan volgen: een nog hogere melkproductie per koe, sneller verteerbaar gras, minder gras en meer mais, meer krachtvoer en methaanarm krachtvoer.

Waar is het kringloopdenken gebleven? De koe is een herkauwer en die kan als een van de weinigen dieren gras omzetten in melk en vlees. Op veengronden kan er sowieso ook alleen maar gras groeien. Volgens mij moesten we naast CH4 (methaan), N2 (lachgas) en CO2 ook de uitstoot van NH3 (ammoniak), NO3 (nitraat) en P2O5 (fosfaat) verminderen en tegelijkertijd ook nog zorgen dat het voer van dichtbij blijft komen (kleine footprint en meer grondgebonden) plus het boereninkomen verbeteren. Ofwel integraal aanpakken! De sleutel voor dit alles zit in een goed functionerende bodem. Maar de bodem is veel te complex om in die klimaatmodellen te stoppen, dus dat doen we dan maar niet??

Het klimaatprobleem vraagt volgens mij om een hele andere oplossing, daarom hier alvast een voorzet: elke boer gaat een bodem-actieplan maken. Doel: binnen 10 jaar alle bodems onder melkveebedrijven op het optimale organische stofpercentage. Het wordt kiezen: OF een optimaal bouwplan met fatsoenlijke wisselbouw (ja, dus ook de mais), vanggewassen en bemesten met compost OF kiezen voor permanent grasland en alleen nog bij hoge uitzondering scheuren. Dus bestuurders: zo snel mogelijk een deltaplan-klimaat, waarin de bodem centraal komt te staan. Maak het deltaplan agrarisch waterbeheer gelijk onderdeel van het klimaatplan. Leer van het ammoniakdossier. Zet zwaarder in op de maatregelen waar de sector en de boer uiteindelijk ook beter van worden, zoals een hogere benutting van ruwvoer, minder krachtvoer en die bodemvruchtbaarheid. Neem vooral zelf initiatief voordat wetenschappers en beleidsmakers een klimaat-bastion vormen. Een gewaarschuwd bestuurder telt voor twee!

 

37. Uw route2020?

Na aanleiding van diverse reacties die ik kreeg op mijn column “de vrouw van”, hier een vervolg. Wij zijn een sector die niet zo makkelijk over onze gevoelens praat. (Overigens doe ik dat zelf ook niet zo makkelijk hoor, misschien is het ook wel een beetje een mannen ding.) Maar onderhuids speelt er veel, heel veel. De melkprijs is natuurlijk al lange tijd niet best en de financieringslasten bij veel bedrijven te hoog. Ik vind het triest dat er door sommigen gouden Chinese bergen zijn voorgespiegeld. Want daarom is er te veel geïnvesteerd en had er eigenlijk gespaard moeten worden. De werkelijkheid is een sterk schommelende en niet al te hoge melkprijs. Ofwel hier zullen we het mee moeten doen. Iedereen denkt nog steeds dat ze groot, groter, grootst moeten. Een nog zwaardere financiering en uiteindelijk bij de bank onder bijzonder beheer komen. Gevolg: een nog hogere rente betalen, sociale problemen en veel spanningen binnen het gezin.  

Dit werkt dus niet!! De schaal moet altijd passen bij de persoon, bij het gezin. En de kosten moeten hoe dan ook laag blijven, of je nu 50 of 500 koeien hebt. En ja, dat zijn ook de kosten van rente & aflossing. Bedrijven die hebben uitgebreid met veel te veel vreemd vermogen gaan, als ze niet oppassen, als eerste over de kop. Het is denk ik toch vaak de man (of de zoon) die wil investeren in ijzer en spanten. Maar ondanks alle beloftes van de schaalvoordelen neemt de netto hoeveelheid werk (en ook de psychische druk) alleen maar toe. En misschien denkt u dat lange werkdagen normaal zijn. Als er gras ingekuild moet worden wel, maar er zou eigenlijk structureel tijd over moeten zijn. Ondertussen zijn we bang voor gezichtsverlies, want de buurman moet vooral niet weten dat er eigenlijk al een aantal jaar niks meer verdiend wordt, en dat de bank al op de stoep heeft gestaan.

Het wordt tijd om dit soort gevoelens maar eens breder te uiten: gooi het er maar uit. U komt er namelijk zeker niet uit als u het voor uzelf houdt, dus praat er over. Harder werken lost de problemen niet op, dat gaat zeker ten kosten van het gezin. Luister eens naar uw vrouw, naar de kinderen, naar vrienden. Waar doet u dit allemaal voor?  

En speciaal voor alle “vrouwen van” die dit lezen: FrieslandCampina maakt een route2020 voor de coöperatie. Stel eens voor om een route 2020 voor het eigen bedrijf te maken. Leg de wensen maar eens op tafel. Wat willen we bereiken? Wie zijn er voor nodig? Wanneer gebeurt het? En vooral waarom willen we dit doel bereiken? Rest een tip voor alle mannen die dit allemaal maar geneuzel vinden: doe het maar snel, anders gaat ze er vandoor met een ander.

 

36. De vrouw van

Toen ik voor de eerste keer in mijn leven stage ging lopen bij een boer, zei mijn vader tegen me: ‘Zorg dat je bij de vrouw in de pap kunt schijten’. Ofwel zorg dat de vrouw je mag, anders dan krijg je een zure tijd jongen. En dat laatste ervaarde ik dan ook aan den lijve, want met hem ging het vrij relaxt, maar met haar boterde het totaal niet. Volgens mij geldt dat voor menig adviseur die op het erf komt, oftewel onderschat haar oordeel niet.

Daarom deze keer aandacht aan de vrouw van de boer. Een lofzang over een niet te onderschatten factor binnen het boerenbedrijf. Tijdens mijn carrière heb ik er een uitgebreide studie van kunnen maken. Zo viel me al heel snel op dat bij veel bedrijven de man de beslissingen helemaal niet neemt, dat gebeurt gezamenlijk of door de vrouw. Ondertussen zit de man wel bij de studiegroep ja te knikken. Reden dat bijvoorbeeld Dirksen Management Support en PPP-Agro speciale boerinnenstudiegroepen aanbieden. De communicatie richt zich traditioneel helaas helemaal op de vent. Maar ik kan u vertellen, dat als zij het niet ziet zitten, het toch echt niet gebeurt. Veel ‘vrouwen van’ hebben ook een veel beter inzicht in hoe het er financieel allemaal voorstaat op het bedrijf. Traditioneel doet de vrouw namelijk de boekhouding, maar vaak ook het jongvee.

Boerinnen zijn vertegenwoordigd in de sector, zoals in de klankbordgroep van CONO. Toch lopen er, voor zover ik kan overzien, weinig acties gericht op het betrekken van de ‘vrouw van’ bijvoorbeeld bij de duurzaamheidsprogramma’s van de melkfabrieken. Misschien is het ook onze eigen schuld. Misschien moeten we de workshop kringloopwijzer of bodem sexier maken. Traditionele denkpatronen verder opbreken en kijken of het aanbod van de eerder genoemde partijen wel goed aansluit.

Ik ben ook van mening dat elk stel eens goed moet gaan zitten om elkaars kwaliteiten beter te leren kennen en waarderen. Want in plaats van te investeren in een hoop duur, vaak overbodig, ijzer is het misschien helemaal niet zo raar om eens te investeren in haar carrière op de boerderij. Toch wil ik hier niet gaan stoken in een goed huwelijk, want er zijn genoeg relaties die alleen stand houden omdat beiden juist niet samenwerken op de boerderij. Één op de vier vrouwen heeft tenslotte een baan buitenshuis.

Als ik met vrienden in de kroeg zit, dan vertel ik wel eens gekscherend dat als ik het erf van een boer oprijdt, de tractor en de auto heb gezien en dan ook nog in de keuken de vrouw heb ontmoet, ik toch wel een heel goed beeld heb gekregen van de boer en het bedrijf. Boerenpsychologie? In elk geval hele nuttige informatie die elke adviseur zou moeten meenemen om een goed advies op te stellen. Achter succesvolle boeren staat vaak een sterke vrouw.

 

35. Meer of minder boeren? 

Hierbij een kritisch tegengeluid tegenover de uitspraken van Marc Calon, voorzitter van de LTO. Die zegt in een radio interview dat Nederland wel met minder boeren toe kan. Op zich een duidelijk interview. Ik proef alleen een keuze voor een verdere industrialisatie van de landbouw: specialisatie en schaalvergroting als enige route. Minder boeren en die worden dus groter en professioneler. Dat is toch iets anders als kiezen voor een veelzijdig platteland met een rijkdom aan diverse boeren. Ik weiger me bij de visie van Calon neer te leggen, wat is er mis met streven naar meer boeren? Ik woon liever in een land met meer boeren als met steeds minder. Bovendien maak je met dergelijke uitspraken wel duidelijk wiens belangen LTO nu eigenlijk behartigd. Er spreekt ook weinig waardering uit voor nieuwkomers die ook boer willen worden. Boeren die bijzondere producten gaan maken of gaan boeren met een zorgtak erbij, zijn dat mindere boeren? Het bestaansrecht van deze bedrijven is minstens zo groot als die van zwaar gefinancierde bedrijven die van 80 naar 250 koeien zijn gegroeid. Als je blijft vasthouden aan schaalvergroting en specialisatie als enige route, dan kan Nederland toe met een paar 1000 boeren. En nog een paar jaar verder en dan kun je er wel een “Whats-app groepje” van maken, dan is de LTO ook niet meer nodig. Volgens Calon doen boeren per mens veel meer, wat ze vroeger in 1800 uur per jaar deden, doen ze nu in 700 uur per jaar. Hij zegt dat het goed is dat er minder boeren komen, want er is geen ruimte als alle 25000 door willen. Het is van alle tijden: meer doen met minder uren. Maar dan denk ik: je kunt toch ook iets anders gaan doen? Meer toegevoegde waarde en minder bulk. Kleinere bedrijven, sterk grondgebonden, lagere financieringslasten, maar netto winstgevender? Laat in elk geval vele bloemen bloeien en houd eens op met het neerzetten van verlammende toekomstbeelden. 

Bijna alle boeren zijn eenmanszaken, eenpitters, en die moeten doen waar ze goed in zijn en waar ze het meeste arbeidsvreugde uit halen. En dan is echt niet voor iedereen de route naar meer produceren in minder uren met een steeds kleinere marge, het meest interessant. Zorg er als belangenbehartigers voor dat er een breed toekomstperspectief in de sector blijft, zonder vooraf te zeggen wat die succesvolle route naar de toekomst is. Het is namelijk niet ondenkbaar dat de grenzen niet alleen naar Rusland dicht blijven, maar ook de VS de grenzen gaat sluiten. In dat geval komt het “Calon model” nog verder onder druk te staan. Want dan zijn het straks de kringloopboeren, met weinig financiële afhankelijkheid, en de boeren die toegevoegde waarde realiseren uit hun omgeving en in de keten, die het meeste toekomst hebben. 

34. MiddenDelfland

In Midden-Delfland (de gemeente tussen Rotterdam en Den Haag) zitten stad en platteland letterlijk naast elkaar. Het is een open veenweidelandschap en het is zeer waardevol om open te houden. De melkveehouderij is daarbij van groot belang. De inzet van de boeren heeft er namelijk voor gezorgd dat het oorspronkelijke en unieke karakter van het landschap zo goed behouden is gebleven. Maar hoe behouden we de boer zelf? Anders gezegd, hoe zorgen we voor voldoende (lange termijn) inkomen en perspectief? Dat is nog niet zo eenvoudig. Allereerst moet je het als boer wel zien zitten om zo dichtbij de stad te willen boeren. Velen hebben daarvoor in het verleden al eens bedankt en hebben een boerderij elders in Nederland gekocht of zijn geëmigreerd. Er is echter nog altijd een groep van zo’n 50 melkveehouders actief. Een groep kringloopboeren heeft acht jaar geleden samen met de gemeente Midden Delfland het programma “boer in Midden-Delfland” opgezet. Zelf ben ik er ook vanaf het begin al bij betrokken.

Het is een inspirerend voorbeeld hoe een groep melkveehouders, van onder af, het voor elkaar krijgt een dynamiek weet te organiseren tussen boer en burger. Dat leidt niet alleen tot meer vrolijkheid, maar ook tot extra pegels en kostenbesparingen. Ik ken maar weinig gemeentes die inmiddels zoveel energie en geld steken in de boeren van hun buitengebied; geld voor studiegroepen, bedrijfscijfers, pilots, promotiecampagnes, enzovoort. Waar de boerenlobby misschien te veel landelijk en Europees bezig is, vergeten we soms dat er lokaal nog heel veel te winnen valt.

Maar wat zijn dan die successen? Het is allemaal begonnen met studiegroepen rondom het thema kringloopboeren en een actieve gemeente ambtenaar. Inmiddels lopen er tal van projectjes waar zowel de “oude” als de jonge boeren actief in betrokken zijn. Het is gelukt om (bovenwettelijke) prestaties op de kringloopwijzer en het koekompas om te zetten in extra euro’s. De waterschapslasten zijn er torenhoog, maar inmiddels kan er met een laag fosfaatoverschot korting verdiend worden. Er is een grondinstrument wat de grond betaalbaar moet houden. Er loopt een succesvol erfafspoelingsproject. En nog belangrijker: samen met 7 melkveehouders is een oude melkfabriek nieuw leven ingeblazen en wordt er elke week weer meer zuivel rechtstreeks aan de stad verkocht onder de naam Delflandshof. 

Met jonge boeren ben ik gestart om meerwaarde voor de oude, uitgemolken, melkkoeien te gaan realiseren. Hoewel je het misschien niet verwacht is juist het vlees van uitgemolken melkkoeien van zeer hoge kwaliteit, mits de dames nog een poos op een uitgebalanceerd rantsoen worden gezet. Goed afmesten is vakmanschap. De horeca is dol op dat vlees. De eerste 2 dames zijn inmiddels met welverdiend pensioen, dat terwijl hun 100.000 lotgenoten met vervroegd pensioen moeten en in de kiloknaller zullen belanden. In de tussentijd gaan de jonge boeren de afzet voor het vlees regelen in de stad. Een uitdaging, maar de jonge boeren gaan er helemaal voor. Tijd om ook in uw eigen gemeente de zaak eens op te schudden?

33. De fosfaatsoap

Het zou kunnen dat we de derogatie al kwijt zijn wanneer u deze column leest. Ik hoop dat vanzelfsprekend niet, maar het begint op een heuse soap te lijken. Elke week spannend hoe het afloopt. Ik wil hier toch respect betuigen voor netwerk Grondig. Ik zie deze club als een gevolg van geen keuzes durven te maken door LTO en de zuivel. Ik dacht dat weidegang en grondgebondenheid vanzelfsprekend zijn. Blijkbaar ben ik naïef, want als het puntje bij paaltje komt blijkt het toch nodig om de belangen van grondgebonden bedrijven extra te behartigen.

Ook ik heb met kromme tenen naar het nachtelijke Tweede Kamer debat gekeken. Sommige partijen kraamden daar de grootst mogelijke onzin uit. Kennis van feiten is schijnbaar niet belangrijk, emoties des te meer. Het volk zit niet te wachten op harde statistisch verantwoorde onderbouwingen, maar wel op een visie. En precies die visie kreeg LTO al vele jaren niet meer voor het voetlicht. “We moeten de wereld voeden” gaat er niet in. LTO is verscheurt door intensief en extensief en komt niet veel verder als “voer-mestcontracten”. En ja, ook ik moet toegeven, men verwacht te veel wonderen van de kringloopwijzer.

Ik dacht dat de zuivel harder zou ingrijpen, zij hebben het grootste belang bij een grondgebonden sector met de koe in de wei. Maar de bestuurders vanuit de zuivel waren vermoedelijk net zo verdeeld als die van LTO. Ze mogen netwerk Grondig op zijn minst een bloemetje sturen. Zij hebben de hete kastanjes uit het vuur gehaald. De zuivel weet maar al te goed dat Hollandse melk van groene weides met een koe daarin een stuk beter verkoopt dan van maisvelden met grote stallen. Ik snap heel goed dat er bedrijven zijn die de afgelopen decennia zich anders hebben ontwikkeld. Toch ben ik er van overtuigd dat we er als sector wel uit gaan komen.

Ik vind het jammer dat het netwerk Grondig zo grondig tegen de kringloopwijzer is. De grondgebonden extensieve boer heeft minder BEX voordeel omdat er aangenomen wordt dat er veel eiwit in het vers gras zit. Daarnaast worden de verliezen buiten het bedrijf niet meegenomen. Ik hoop dat ze grondig mee blijven denken om de kringloopwijzer te verbeteren, want ook grondgebonden boeren kunnen winst halen in de kringloop.

Ik sluit af met dat 2016 een roerig jaar was, laten we hopen dat melkveehouders in 2017 weer koers vooruit kunnen maken. Drink er een stevige borrel op. Ik wens u allen prettige feestdagen en proost op een grondgebonden 2017!

32. Tien koeien

Die moeten er per bedrijf uit om de derogatie te redden. Mijn gevoel zegt dat Brussel voornamelijk beoordeelt of onze melkveesector überhaupt in staat is zichzelf te reguleren. Volgens Romijn gaat het naast algemene maatregelen uiteindelijk over 5 koeien per bedrijf. U vindt waarschijnlijk dat dit over de 5 koeien van de buurman gaat. Maar als dat zo zou zijn, dan moet de buurman 10 koeien opruimen. Maar of het nu over 5, 10 of 15 koeien gaat, ik mis in dit alles het toekomstbeeld. Waar moet deze sector naar toe? 

Volgens mij zijn er al belangrijke maatregelen om het wettelijk aantal toegestane koeien te verlagen, zoals de melkveewet die in 2017 moet zorgen voor minder koeien bij onvoldoende grond. Dit past goed in het pleidooi van de grondgebonden boeren die weinig hebben uitgebreid qua koeien, zij voldoen immers aan de wens van de grootste groep consumenten en politieke partijen die streven naar grondgebondenheid. Maar ook in het voerspoor kunnen flinke stappen gezet worden. Daar zie ik in de regel dat de extensievere bedrijven een uitdaging hebben. De krachtvoerkraan verder dicht, weidegang efficiënter inzetten en zo de fosfaataanvoer terugdringen. Inmiddels gonst het ook alweer van de verhalen dat een hogere productie per koe weer interessanter wordt. Ik vraag me af wie die boodschap rondstuurt? Vast degene die daar het meeste aan gaat verdienen. 

Zowel intensief als extensief heeft uitdagingen om het aantal koeien en de hoeveelheid fosfaat te verminderen, laten we daar niet te lang over ruziën. Neem een voorbeeld aan de POV (producenten organisatie varkenshouderij). Een collectief van 88% van alle varkenshouders in Nederland die fungeert als uitvoeringsorganisatie en vooral kijkt naar het versterken van de marktpositie, betere verdienmodellen en een betere ketensamenwerking. Ze proberen met het grootste deel van de varkenshouders te sturen op toegevoegde waarde in plaats van steeds maar meer varkens voor een steeds lagere prijs en steeds hogere kosten. Wanneer komen melkveehouders tot hetzelfde inzicht? Met 175.000 koeien minder is het de vraag of dit voor het gros van de melkveehouders ook niet veel interessanter is? Minder melken tegen een hogere melkprijs. 

Maar nee, wij gaan liever richting mestverwerking. Schepen vol duur eiwit hier naar toe sjouwen, mest laten verwerken via dure installaties en de mestkorrels het land uit? Onze keten (lees FrieslandCampina) stimuleert mestvergisters terwijl ze beter kunnen investeren in nieuwe ketenconcepten met meerwaarde. In plaats van een beetje bijschaven moeten onze bestuurders de 80:20 regel toepassen. Ingrijpen wat goed is voor 80% van de boeren, ten kosten van de 20% die niet meer passen in het concept. Daar kan de sector uiteindelijk alleen maar sterker uitkomen. Maar wie durft?

31. Rara wat zit er in?

De wereld om ons heen wordt steeds transparanter, behalve de samenstelling van het krachtvoer, dat is blijkbaar nog altijd een groot geheim. Ik heb de eerste studiegroepbijeenkomsten van het najaar er alweer opzitten en daarin bespreken we de winterrantsoenen. Het is een genot om dat samen met Aart Malestein te mogen doen. Deze man heeft zoveel ervaringskennis dat hij 1 voor 1 die mooie reclamepraatjes rondom rantsoenen, onderuit haalt. Het is ook dit jaar weer schrijnend om te horen wat u allemaal wel niet aangesmeerd heeft gekregen. Dus ik ga er in deze column nog maar eens een tandje bijgooien.

Voor mij is het namelijk wel duidelijk: de kans dat een rantsoenberekening op papier niet klopt is ongeveer net zo groot dan dat het wel zou kloppen! Ofwel, het is niet meer en niet minder dan een voorzet om je koeien te voeren. Waarom? Het eigen ruwvoer is het hoofdbestanddeel van het rantsoen en dat komt in vele soorten en maten: mishandeld door kneuzers, hakselaars en voermengwagens, helaas nog veel te vaak lekker warm met een toefje schimmel. Of het zit verdeeld in lagen zodat het op veel bedrijven een grote gok is welk deel uiteindelijk in de bek van welke koe verdwijnt. Allemaal zaken die de computer zeker niet kan ruiken.

Komt bij dat we nog altijd niet meer meten in het voer als hoeveel water er in zit, hoeveel zand (as), hoeveel suiker of zetmeel, eiwit (stikstof) en ruwe celstof. Het merendeel van u neemt uit kostenoverwegingen ook maar 1 analyse van de hele bult, maar heeft op basis daarvan wel een zeer uitgebreide rantsoenberekening gekregen, vaak nog met cijfers achter de komma.  

Houd het alsjeblieft simpel. Beredeneer wat er gecorrigeerd moet worden. Moet er eiwit bij? Raapschroot geeft snel afbreekbaar eiwit, terwijl sojaschroot traag afbreekbaar eiwit geeft en bestendig sojaschroot zeer traag afbreekbaar eiwit. Hoe meer gras in het rantsoen, hoe trager de aanvulling moet zijn. Bij veel mais is er te weinig penseiwit dan past raap dus beter. En wat voor energie is nodig? Maïsmeel geeft traag afbreekbaar zetmeel, dat past het beste bij grasrijke rantsoenen. Tarwe is snel, gemalen tarwe is heel snel en geplette tarwe is trager. De mest zegt je uiteindelijk of het te snel of te traag is. 

Mijn grootste probleem met al die “mengvoeders met flitsende namen” is dat je er zelf geen ervaring mee kunt opbouwen hoe grondstoffen reageren op de koeien. Het merendeel van u vindt dit helaas allemaal te moeilijk en accepteert liever hogere voerkosten. Ik vind dat de basiskennis van de veevoeding weer prioriteit moet worden bij alle boeren, anders worden we nooit kostprijskampioen.

30. Deltaplan?

Ik moet hier toch ook eens iets over schrijven. Al wordt er gelukkig ook al stevig over gediscussieerd binnen onze sector en zie ook het mooie artikel (ommezwaai Rabo en LTO) in het vorige MelkveeMagazine. Ruud Huirne (Rabobank) doet een oproep voor een deltaplan voor de melkveehouderij. Nu blijkt hij het allemaal niet zo letterlijk te bedoelen. Maar hoe zinvol is een deltaplan? Ik denk dat nadenken over de toekomst altijd zinvol is, maar ik vind het wel wat typisch om vanuit Utrecht een traject op te gaan starten en straks met een gelikt boekje te komen over hoe het allemaal anders moet. Terwijl volgens mij de banken gewoon zelf de sleutel tot een gezonde melkveehouderij in handen hebben: de financiering! In 2009 kende de melkprijs een dieper dal en toen was er geen deltaplan nodig? Ik vermoed dat de financieringslasten inmiddels zo zijn toegenomen dat er nu wel een plan moet komen?

Volgens mij waren het de banken die hadden kunnen inzien dat alleen boeren met genoeg grond, om mest te plaatsen en voer te produceren, en zij met structureel lage kosten, gefinancierd kunnen worden. Had intern niet iemand aan de bel kunnen trekken dat er blijkbaar veel te veel onzekere financieringen uitstonden? Blijkbaar, want de modellen van de bank hebben vermoedelijk met te mooie opbrengstprijzen gerekend? Want werden alle financieringslasten ook wel goed meegenomen? Ook die van leaseconstructies van melkrobots en tractors? Er is blijkbaar te lang met een roze bril naar de toekomst gekeken. Want als alles wat behoudender was ingeschat, was er dan wel een deltaplan nodig?  

Overigens begrijp ik de behoefte voor een beter plan van de afzet van de extra melk best. Die melk waarvan in eerdere gelikte boekjes nog stond dat de hele wereld er op zat te wachten… maar dat valt voorlopig nog even tegen. Sowieso krijgen we vette en magere jaren, zo werkt de vrije markt. En de afzet van melk gaat tegenwoordig heel groot (multinationals, wereldmarkt) of heel klein (niches, lokaal, streekproducten, melktaps), daar tussenin zit weinig markt. Dus moet er dan een deltaplan komen voor bedrijven als FrieslandCampina, DOC en CONO? En zitten die daar op te wachten?

Naar mijn mening moet er helemaal geen deltaplan komen. Plannen van bovenaf hebben we al genoeg gehad. Zo is er al jaren een topsectorbeleid, evalueer eerst eens het succes daarvan? Kom dit keer eens met een plan van onderop. Een plan vanuit de lokale banken richting de ondernemers, hun klanten. Juist niet groot, hoog over, maar klein en dichtbij de boeren. Daar moeten alle vaardigheden en creativiteit uit de kast gehaald worden om de boer te ondersteunen in de zoektocht naar een beter inkomen. Die lokale banken zouden de voorloper kringloopboeren eens moeten inschakelen om ideeën te verzamelen hoe minder afhankelijk te worden van externe inputs en financiering, en hoe meer marge op de melk te realiseren. Of hoe er meer verdiend kan worden aan andere zaken? Zoek het bewust klein, geen deltaplan, maar een lokaal plan, door lokale banken, met lokale initiatieven en dichtbij de gene waarvoor dit uiteindelijk allemaal bedoeld is: u als melkveehouder!

29. Gaat dit wel goed?
Ik heb hier mijn hele “kringloopcarriere” al twijfels over gehad. Maar nu moet er toch echt ingegrepen worden. Want FrieslandCampina wil in 2020 duizend melkveehouders helpen aan een installatie waarmee ze op de boerderij mest omzetten in elektriciteit. Dat zegt Roelof Joosten in dagblad Trouw. Het gaat hier om monovergisters die alleen werken op mest. Op het methaangas vanuit de mest draait een motor die elektriciteit opwekt: groene stroom. Een monovergister verlaagt de uitstoot van broeikasgassen. Methaangas is veel schadelijker dan CO2. Volgens Joosten hoeft de melkveehouder alleen een stukje grond beschikbaar te stellen. Hij moet een stopcontact hebben en de mest in de monovergister stoppen. Met de opgewekte stroom wordt de boerderij klimaatneutraal.

Maar weegt het geld wat de boer voor groene stroom krijgt, plus alle subsidies, wel op tegen de beroerde mestkwaliteit die eruit komt? Want je haalt de C (koolstof) uit de mest, daar draait die motor op. Wat is die mest nog waard voor de bodem? Volgens mij heel weinig. En moeten boeren op de lange termijn dan C gaan aankopen om het verlies aan bodemvruchtbaarheid weer te herstellen? En die C wordt ook steeds schaarser, want er komen (met subsidie) steeds meer biovergisters in ons land. Ofwel op korte termijn een paar euro, op lange termijn verlies. Het is duidelijk dat Joosten een scheikunde achtergrond heeft, hoogtijd voor wat bijscholing in de (bodem)biologie en de kringlooplandbouw!
Een paar dingen snap ik sowieso niet. Allereerst heb ik geleerd dat een van de problemen is dat koeien methaan boeren. Van de totale methaanuitstoot wordt meer dan 70% uitgeboert door de koeien. De rest zit in de mest en gaat verloren bij de opslag en het uitrijden. In onze mooie open stallen (die ook FrieslandCampina graag ziet) vangen die mestvergisters dus maar een heel klein deel van de methaan weg. Ook moeilijk te snappen: de koeien van Campina moeten naar buiten, dus een groot deel van de mest zal nooit via de vergister gaan. En als laatste wil Campina graag biodiversiteit bevorderen en dan staat volgens mij een biologisch goed functionerende bodem aan de basis.

Mijns inziens kun je mest beter opwaarderen en er compost van maken in plaats van de energie eruit te halen. Dat is beter voor het bodemleven en met meer bodemleven is minder N en P uit kunstmest nodig, meer weidevogels, betere waterinfiltratie, minder droogtegevoelig, enzoverder.
Voor een bedrijf als FrieslandCampina wat “het zit in onze natuur” propageert past het verhaal van de monovergisters volgens mij niet. En als het allemaal zo lucratief zou zijn voor de boer, laat het dan ook aan de markt over en Foqus je op de zaken waar de melkveesector op termijn veel meer te winnen heeft: behoud en verbeteren van de bodemvruchtbaarheid!

28. Muscle Cow

Af en toe is het misschien ook wel eens leuk om heel iets anders te lezen van mijn hand. Sinds een jaartje ben ik namelijk behoorlijk afgevallen, ik zit natuurlijk vooral veel achter de computer of in de auto en laten we zeggen: ik ren zelden meer achter een koe aan. Nu heb ik ook geen geweldige discipline en ik was het vooral ook beu om zo weinig te sporten. De motivatie voor een verandering was dus erg groot.

Via via kwam ik in contact met een personal trainer. Dat kost wat, maar ik heb daarmee voor mezelf eigenlijk een soort van verplichte stok achter de deur gecreëerd. Namelijk 2 keer per week om 9:00 uur melden op de sportschool en elke week wegen hoeveel kilo’s er af zijn. Dat werkt wel dus J

De trainer werkte ook volgens het principe van Boerenverstand: geen gezeur, gewoon meer bewegen en minder eten. Dus ik moest calorieën gaan tellen. Want je valt toch echt maar op 1 manier af: namelijk minder calorieën eten dan dat je behoefte is.  Tegelijkertijd moest ik natuurlijk geen spiermassa verliezen, sterker nog: ik wilde liever spiermassa aanzetten! Dus onderdeel van het plan was extra eiwit via een proteïne shake, elke ochtend. Dat bracht me in de wereld van de eiwitpoeders.

Je leest het tegenwoordig op heel veel producten, zoals Vifit: met extra proteïnes voor je spieren. De gemiddelde mens heeft natuurlijk geen flauw idee hoeveel eiwit hij nodig heeft, laat staan wat hij dagelijks te kort komt, maar het verkoopt in elk geval goed! Ik had zelf heel geconcentreerd eiwit nodig zonder vet en een van de producten daarvoor is Whey-eiwit, isolaat. Laten we zeggen sterk ingedikte wei, dus de wei van het kaasmaken. Eigenlijk logisch want varkens zetten ook spieren aan van wei, en een mens lijkt genetisch sterk op een varken. Maar tot mijn schrik koste 1 kilo wei-poeder ruim 50 euro! Er zijn goedkopere op de markt, maar dit wekte direct mijn interesse naar de waardeketen rondom wei-poeders. Als je varkensvoer zo duur kunt verkopen, dan liggen daar misschien wel kansen? Dit keer geen streekkaasje, maar een duurzaam geproduceerd lokaal whey-eiwitpoeder uit de Ijsseldelta?

Een groep studenten van Wageningen heeft de afgelopen maanden hun tanden in dit onderwerk gezet en deze hele keten bestudeerd. Werktitel: Muscle Cow. De wereld van de (kracht)sporters, de proteïne (eiwit) poeder business, dieetpoeders, een wereld op zich zelf. Best interessant om te zien waarin uw melkeiwit allemaal in verdwijnt.

Maar om een kilootje wei-eiwit te produceren heb je een enorme hoeveelheid wei nodig. 0,5 tot 0,7% van de natte wei wordt daadwerkelijk wei-eiwitpoeder. Dat kan dus eigenlijk alleen via de grote kaasfabrieken. Daarnaast heb je bijvoorbeeld sproeidrogers nodig en die kosten miljoenen. Conclusie was al snel dat een streek-eiwit-poeder, geen haalbare kaart is. De studenten hebben alles voor me uitgezocht,  ook wanneer je op je product “eiwitrijk” mag zetten: > 20% van de energie bestaat uit eiwit of “bron van eiwitten”: > 12% van de energie bestaat uit eiwitten.

Om via deze weg een paar centen meer voor de (duurzame) melk te krijgen lijkt een haast onmogelijke. Maar goed, we blijven zoeken!

27. Fosfaat, april 2016

Ongetwijfeld op dit moment het meest gebruikte woord in onze sector: fosfaat. De keuze voor fosfaat vanuit het beleid gezien is een praktische: het is redelijk eenvoudig en betrouwbaar te meten. Het vliegt niet de lucht in, dus je kunt het precies volgen, en dus op afrekenen. Bovendien hadden we het al bij de varkens en kippen. Ik had er zelf serieus op gehoopt dat eerst de melkveewet maar eens uitgevoerd ging worden, want op basis daarvan moeten bedrijven die gegroeid zijn zonder grond, koeien inleveren. Toch is het risico dat we door het plafond blijven gaan (en daarmee onze derogatie verspelen) te groot en zo komen er jammer genoeg fosfaatrechten.

Onderweg hoor ik inmiddels al wel het ene na het ander fabeltje over fosfaat. Het zou niet verder naar beneden kunnen en ook worden er rare verbanden gelegd met fosfaatpillen die soms nodig zijn rondom het afkalven. Maar volgens mij is er nog heel veel te winnen.

15 jaar geleden rekende ik met Jaap van Bruchem al stikstof- en fosfaatkringlopen uit, op dezelfde manier als de kringloopwijzer dat nu ook doet. Stikstof en fosfaat zijn een onderdeel van eiwit. Toen al lieten we zien dat er praktijkbedrijven waren die succesvol met 15% Ruw Eiwit (RE) en 3,5 gram fosfor (P) gemiddeld in het rantsoen molken. Toen hadden we zelfs een proefboerderij: De Minderhoudhoeve, die de koeien op 13,5% RE in het rantsoen voerde. Daar gaven ze gewoon 8500 kg melk met een ureum van onder de 10! 15 jaar later is het Ruw Eiwit gehalte verdwenen van de voeradviezen en vervangen door flitsende namen en zie ik kringloopwijzers voorbij komen waar het rantsoen op 17% of zelfs 18% RE uitkomt!

In al die jaren zijn we nog te weinig opgeschoten, maar belangrijker: er is dus nog steeds serieus geld te verdienen. Blijkbaar krijgen de afhankelijke adviseurs het niet voor elkaar om de veiligheidsmarges af te bouwen en u te helpen daadwerkelijk zuiniger te voeren. Anderzijds zit u er misschien zelf nog onvoldoende bovenop. Soms hoor ik melkveehouders zeggen dat een ureum onder de 20 “niet melkt” …….Misschien word het serieus tijd voor een onafhankelijke coach? Of voor een echt kritische studiegroep op basis van uw eigen cijfers? Iemand die u stimuleert stappen te zetten, de voortgang meet en ervoor zorgt dat de resultaten echt verbeteren. Want weet u bijvoorbeeld dat raap 2x zoveel fosfaat bevat bij hetzelfde eiwitgehalte ten opzichte van soja? Maar raap is veel goedkoper, dus grote kans dat ze bij u raap in het voer gestopt hebben.

26. De Topkuil, maart 2016

Deze winter heeft u kunnen ervaren hoe de eerste snede kuil van 2015 heeft gemolken. Is die goed bevallen? Of wilt u dit jaar liever wat anders? Voldoende eiwit? of was het eiwit er wel, maar voornamelijk snel (OEB) en daardoor moeilijk te benutten? en moest er alsnog een eiwitaanvulling bij van een tragere variant? In dat laatste geval wordt het totaal ruw eiwit in het rantsoen weer te hoog en dat is ongunstig voor de kringloopwijzer, maar het kost vooral ook geld! Stikstof uit eigen voer is altijd nog goedkoper dan eiwitrijke brok. Bovendien als u eiwit in een koe stopt en ze benut het niet, dan komt het in de mest en die moet u vervolgens duur afvoeren. Voldoende aanleiding om serieus na te denken over welke kwaliteit(en) eerste snede binnen gehaald moeten worden.

Het begint bij bedenken welke kuil het beste bij jouw veestapel en jouw voersysteem past. Als de koeien komende winter het enkel op gras moeten doen, gevoerd met een blokkenwagentje, is 160RE ruim voldoende. Dan moet het eiwit bestendiger en moet de verteringscoëfficiënt vooral niet te hoog zijn. Krijgen ze er veel maïs bij? dan moet in elk geval het eiwit hoger liggen en mag het ook onbestendiger.

Eigenlijk zijn we al te laat, want de bemesting ligt waarschijnlijk al op het land en daar had u nog in kunnen sturen. Misschien wordt de kunstmestgift in twee keer gestrooid? Bijvoorbeeld 3 tot 4 weken voor het beoogde maaimoment? Voordeel van deze strategie is dat bij een latere 1e snede het RE gehalte hoog blijft. Bij de 1e snede hoeft u in elk geval niet bang te zijn voor teveel structuur, de langste dagen zon komen pas bij de tweede snede en verhouting treedt nauwelijks op. Cijfers van Eurofins laten zien dat meer dan 70% van de voorjaarskuilen te snel is. Iets droger in de kuil krijgen is dus niet verkeerd. Nu wordt het gras met een kneuzer misschien sneller droog, maar daar wordt het ook sneller verteerbaar van. Dus als de eerste snede van 2015 te snel was, misschien dit jaar de kneuzer er maar vanaf halen? Ook een hakselaar kneust het gras nog een keer en maakt het dus weer sneller verteerbaar. Dus misschien de eerste snede oprapen met een paar messen? Zorg er in elk geval voor dat u zich niet laat verleiden om te vroeg te gaan maaien. Want dan oogst u voornamelijk OEB en zie dat nog maar eens goed te benutten.

Elke keer als het mes in het gras gaat, stel uzelf de vraag: wil ik nu structuur oogsten? snel of traag eiwit? of snelle of trage energie? En waar heb ik eigenlijk het meeste behoefte aan? Men is maar al te graag bereid u van alles te verkopen om de kuil weer te compenseren. Maar als u standvastig aan u eigen strategie vasthoudt, en vooral niet begin mei toch overstapt op de strategie van de buurman, dan wordt het dit jaar een succes! Aankomende winter vertellen de koeien u wel weer of het een Topkuil was.

25. Wie komt er op voor uw digitale belangen? februari 2016

Misschien kent u de term: big data. Dat is de term die gebruikt wordt in verband met de enorme hoeveelheden data die tegenwoordig overal vandaan verzameld worden. Steeds meer apparaten verzamelen zelf data, slaan dat op en wisselen dat uit. Ook komt er steeds meer sensordata beschikbaar, denk alleen al aan de melkrobot. Ook de capaciteit voor het verwerken en analyseren van data neemt razendsnel toe. Daar liggen enerzijds enorme kansen om nieuwe kennis uit te ontwikkelen en uw voordeel uit te gaan halen, anderzijds is het ook ideaal voor bedrijven om hun marketingstrategie aan te scherpen of om er commerciële producten op te ontwikkelen. Maar van wie is die data? En wie beschermt eigenlijk uw digitale belangen?

Een paar maanden geleden lanceerden we www.boerenbunder.nl. Boer&Bunder is een applicatie die open data visualiseert op perceelsniveau. De app toont voor alle 1,9 miljoen hectare landbouwgrond in Nederland een aantal open datasets. De eerste weken na de lancering zijn er meer dan 200.000 percelen bekeken door ruim 18.000 bezoekers. Een groot succes dus. Het zijn open data bronnen, ofwel deze data is nu ook al gewoon beschikbaar. We hebben het alleen makkelijk gemaakt om er mee te werken. Het leverde direct al een rits van nieuwe toepassingsmogelijkheden op, bijvoorbeeld aangeven waar luchtballonvaarten wel of niet mogen landen.

Boer&Bunder was de aanleiding dat we een lezing mochten geven op een congres van de gemeente Tubbergen. Een van de eerste gemeente waar ze het hele buitengebied van glasvezel hebben voorzien (supersnel internet dus). Ik heb laten zien waar er nu al enorm veel data verzamelt wordt en hoe de melkveehouderij als sector ver voorop loopt met internettoepassingen. Maar boeren hebben een ambivalente houding: het levert meer inzicht, maar het gaat ook ten koste van de privacy.

We gaven een doorkijk wat er te winnen valt door toegang te bieden tot landbouwdata en het hergebruik van data. En met sneller internet ontstaan ook hele nieuwe kansen. Zo was het was heel lang te duur om waarde toe te voegen aan je product, omdat je niet 1,2,3 het netwerk had om ze te vermarkten. Dankzij digitalisering ontstaan er kansen om consument en producent makkelijk bij elkaar te brengen. Ook als meer mensen met landbouwdata gaan werken, kunnen interessantere toepassingen ontwikkeld worden. Dat vraagt om transparantie.

Daarom wil ik een belangrijk punt inbrengen: Hoe gaat u zelf aan die data verdienen? in plaats van dat anderen gaan doen? Weten derde partijen in de nabije toekomst meer van het boerenbedrijf dan de boeren zelf? Wordt het niet tijd dat organisaties als LTO er een nieuwe taak bij nemen: opkomen voor uw digitale belangen! En moet de insteek zijn dat gebruik van boerendata door derden zoveel mogelijk voorkomen moet worden, of bent u het met ons eens dat de toekomst van boerendata juist schuilt in het toestaan van het gebruik en het voorkomen van misbruik? In landen als de VS en Duitsland woeden stevige debatten over eigenaarschap van data en privacy. Voor een landbouw-koplopers land als Nederland is het nog erg stil…

24. Gecoördineerd groeien, januari 2016
Volgens mij zijn melkveehouders niet te stoppen. Over heel 2015 is er 6,9 procent meer melk geleverd. Wat gaat 2016 brengen? 15 miljard kg melk? Ik moet zeggen: ik heb onderschat hoe hard u aan die spenen kunt trekken! Melkfabrieken willen graag verwerken, maar de benodigde capaciteitsuitbreiding kan de groei niet bijbenen. Het lijkt er op dat 1984 zich veel sneller gaat herhalen als gedacht. Dus is ingrijpen via de AmvB en met fosfaatrechten onvermijdelijk?
Een breed gedragen Nederlands zuivelplan had misschien wat ellende kunnen voorkomen, maar melkveehouders laten zich tegenwoordig moeilijk vertegenwoordigen, laat staan vrijwillig beperken. Fosfaatrechten komen bij mij over als een beperking voor eigen bestwil. Dat past niet alleen de overheid, maar ook uw eigen melkfabriek. De overheid ziet alle duurzaamheidsdoelen, die met uw vertegenwoordigers zijn afgesproken, overschreden worden. En de zuivelfabrieken kunnen niet zomaar een markt vinden voor al die melk.
Voor een goede melkprijs moeten we eigenlijk de hoeveelheid en kwaliteit produceren waar de markt om vraagt. Maar de relatie tussen productie (boer) en markt (consument) is ver te zoeken. Hoeveel melk vraagt China eigenlijk precies? En hoe lang nog? Dus gecoördineerd groeien samen met en passend bij uw melkfabriek lijkt een slimmere optie. Uiteindelijk vinden we ook wel markt voor meer Nederlandse kwaliteitsmelk en zuivelproducten, maar dan zullen we om moeten schakelen van de ‘ieder voor zich’, naar een ‘een voor allen’ mentaliteit. Zeker in een coöperatie onderneem je feitelijk met elkaar. Bij CONO zetten ze natuurlijk ook het liefst alle melk van hun leden af in de dure Beemsterkaas, maar dat gaat niet. En laatst sprak ik een aantal zelfzuivelaars, als hun product goed loopt kunnen ze meer gaan melken en levert hun melk zijn geld op. Zo zou het feitelijk moeten werken.
Ten tijde van het melkquotum hebben melkveehouders als het goed is geleerd te optimaliseren binnen een vastgestelde aantal liters melk. Nu moeten we oppassen niet eenzijdig de voerkosten per liter melk te verhogen en vooral duurdere liters gaan produceren. Liters die feitelijk steeds minder waard worden omdat er geen goede afzet voor is.
Hoe kunnen we de relatie tussen de boer en de markt weer herstellen? Actievere ledenbijeenkomsten? Produceren voor niches? Dichter bij huis blijven? Groepen melkveehouders koppelen aan producten? Uit eigen ervaring weet ik dat het laatste een hele moeilijke is, zeker voor onze grootste zuivelcoöperatie. Maar de markt vraagt nog steeds om bijzondere en onderscheidende producten, ga er maar eens op letten als u toch mee moet winkelen met uw vrouw.

23. Alle melk is wit?, december 2015

(samen met Joris Lohman van SlowFood)

De tuinbouw is op zoek naar nieuwe verdienmodellen, met de varkenshouderij gaat het al jaren slecht, en nu lijkt ook de melkveehouderij getroffen: het afschaffen van het melkquotum heeft niet de Gouden ‘Chinese’ Bergen opgeleverd die de boer in het vooruitzicht waren gesteld. Vooralsnog zorgt de toegenomen melkproductie vooral voor diepe dalen in de prijs.

Het model van zoveel mogelijk produceren voor een zo laag mogelijke prijs loopt op zijn laatste benen. Maar wat zijn eigenlijk de alternatieven? Duidelijk is dat voor producten met toegevoegde waarde – met een helder keurmerk, zoals biologisch – meer geld kan worden gevraagd. Biologische melk is uitgegroeid tot een sterke niche en de prijs tussen biologisch en gangbaar loopt op dit moment behoorlijk uiteen. Een kort marktonderzoekje leert ons dat er nog ruimte is voor tientallen omschakelaars. Dus wat let u?

Zelf de markt opgaan met een onderscheidend product vraagt een totaal andere mindset. Je hebt gevoel voor de markt nodig, een uitgebreid netwerk, marketing en een dosis doorzettingsvermogen. En de concurrentie kan moordend zijn. Laatst bezochten we een hele succesvolle kaasmaker. Eentje met een mooi product en een eigen afzetkanaal. Buiten de grillen van de supermarkt om. Hij kon flink meer melken omdat hij meer kaas kon verkopen. Naast de trend naar meer lokale en vooral bijzondere producten zijn er ook andere belangrijke ontwikkelingen in een stroomversnelling geraakt. Via webshops, en met name door ontwikkeling in distributie, is het steeds makkelijker om online voedsel te bestellen en te laten bezorgen. Er is een veelheid aan initiatieven, niet allen even succesvol, maar de ontwikkelingen gaan snel. Marketingfacts.nl stelt dat de verwachting is dat in 2020, 20% van de boodschappen online worden gedaan. Dit biedt kansen voor directe verkoop, en voor meer diversiteit in voedselland.

Er liggen dus serieuze kansen, kansen voor onderscheidende niches, onderscheidende producten met een onderscheidend verhaal uit onderscheidende streken en met een onderscheidende distributie. Dat vergt uiteindelijk wel agrarisch ondernemers die ook serieus in een ander avontuur willen stappen, zich los willen maken van de grote meute en klaar zijn met meer van hetzelfde. Bij de meeste van u ontbreekt het vermoedelijk aan de kennis, ook de agrarische opleidingen besteden hier veel te weinig aandacht aan. Maar wie weet een mooi voornemen om in 2016 eens met een deel van uw melk in een nieuw avontuur te stappen?

22. Zelf sturen in het rantsoen, november 2015

De koeien staan alweer een poosje op stal. Altijd spannend hoe ze presteren op het vooraf berekende winterrantsoen. Wij hebben inmiddels al een paar telefoontjes gehad met het verzoek voor een rantsoenadvies omdat het voor geen meter wil melken. Dat hapje eiwit wat de koeien dit jaar nog heel lang buiten konden halen bleek in veel gevallen toch van grote toegevoegde waarde. Samen met collega Erik Smale bekijk ik de vragen, verwijs meestal door en heel soms gaan we ook zelf op bedrijfsbezoek. Ik heb als adviesbureau bewust eens de keuze gemaakt geen individuele rantsoenadviezen te geven. Onze uitdaging is om u meer handvatten te geven zelf te leren sturen in het rantsoen. Ik ben ook van mening dat koeien voeren een van de kerntaken van u als melkveehouder moet zijn. In de praktijk zie ik helaas dat u dat deel massaal heeft uitbesteed en ook nog eens aan degene die u het voer verkoopt.

Als u zelf met u rantsoen aan de slag wil, is de eerste stap beter leren kijken wat er nu eigenlijk precies voor het voerhek ligt. Is het gras gekneusd, gehakseld en ook nog eens gesneden in de voermengwagen? Is de maiskorrel helemaal verweekt tot pasta? Allemaal factoren waardoor het ruwvoer nog sneller door de pens schiet. Daarnaast is het belangrijk om te realiseren dat een analyse van een mengkuil, met meerdere snedes, niet betekent dat een koe die mengkuil ook zo binnen krijgt. Wanneer de koe de kans krijgt zal ze selecteren. En dan is het belangrijk om te kijken wat er weer uit de koe is gekomen: zitten er veel onverteerde delen in de mest? Of is de mest als een zalfje?

Ik heb zelf veevoeding gestudeerd, en hoe meer je in deze materie duikt, hoe beter je begrijpt waarom een rantsoenberekening vanuit de laptop misschien voor 50% klopt of misschien voor 60%. Veel berekende rantsoenen gaan bijvoorbeeld mis omdat de verteringscoëfficiënt verkeerd wordt ingeschat. Of je het nu “MELK, WDVE, WDE, DVP, FEB of EKB” noemt, als je die verteringscoëfficiënt verkeerd ingeschat klopt de hele berekening niet meer. Maar goed, misschien houdt u van een gokje?

Voor sommige melkveehouders frustrerend, maar om succesvol te kunnen voeren zal je toch echt je boerenverstand moeten gebruiken 😉 Ik pleit voor simpele berekeningen die iedereen kan snappen. Een eerste voorzetje en vervolgens zorgen dat je eenvoudig kunt bijsturen. Idealiter staan er 3 silo’s: productiebrok en een eiwit en energiecomponent. Altijd voldoende goed hooi aanbieden zodat de koe zelf haar structuurbehoefte kan corrigeren en klaar is Klara.  

21. De Veeteler 2.0, oktober 2015 

Onlangs mocht ik een presentatie houden op het symposium van De Veetelers. De studievereniging van de studie dierwetenschappen van Wageningen Universiteit. Best een eer, ik heb zelf namelijk ook Veeteelt gestudeerd. Ook een kans, want nu kon ik eens terugblikken op mijn studie en er mijn mening over geven. Vooraf bracht ik de stelling in: “Specialisatie- en efficiëntie denken zorgt voor een grotere kloof tussen boer en maatschappij en een lager inkomen voor de boer”. 

Waarom? In Wageningen slaan ze vaak door in de details, dat is leuk voor fundamenteel onderzoek, maar een boer haalt winst uit de samenhang. Het is het totale bedrijfssysteem wat moet kloppen, wat moet passen bij de ondernemer. Feitelijk is het boerenbedrijf niet zomaar op te delen in bodems, gewassen en koeien, en zeker niet in stukjes DNA.

Ik vergelijk sommige onderzoeken wel eens met reclames voor light producten. Het is wetenschappelijk bewezen dat je er slanker van wordt. Maar je wordt toch echt alleen slanker als je minder calorieën eet en meer gaat bewegen. 

Pas na mijn studie kwam ik in contact met innovatieve melkveehouders die hun bedrijf optimaliseren door bijvoorbeeld verschillende partijen ruwvoer en hooi te oogsten en zo zelf een perfect rantsoen samenstellen. Totaal anders als optimaliseren via theoretisch koemodellen of darm verteerbaar lysine. Dat laatste lijkt allemaal beter aan te sluiten bij de verdienmodellen van de agro-industrie.

Wageningse studenten en onderzoekers moeten naar mijn mening bestuderen hoe innovatieve boeren het flikken om succesvol aan milieu- en duurzaamheidseisen te voldoen, terwijl ze toch een hoog rendement halen? Hoe lukt het ze de koeien ouder te laten worden? Of hun grasland productief te houden zonder onkruid en zonder te scheuren? Hoe halen ze meer inkomen uit hun omgeving en uit hun product?

Op het symposium sloot ik mijn verhaal af met de oproep dat onze sector behoefte heeft aan kundige, creatieve en ondernemende veetelers. Veetelers die geen reclameclaims gaan verkopen, maar daadwerkelijk het inkomen van de boeren centraal stellen. Anders heeft dit land straks nog wel een Wageningen Universiteit, maar geen boeren meer.

20. Het kringloopwijzer avontuur, september 2015

De kringloopwijzer gaat ten koste van beweiding, stelt de Nederlandse Melkveehouders Vakbond. Eerder liet de Tweede Kamer al een serie experts opdraven, waaronder ondergetekende, omdat de kringloopwijzer zou leiden tot intensivering. Als een van de mensen achter die kringloopwijzer wil ik duidelijk zijn: de kringloopwijzer is niet meer en niet minder dan een hulpmiddel om bedrijfsspecifieke prestaties in beeld te brengen. Het enige waar de kringloopwijzer toe moet leiden, is meer inzicht in de mineralenkringloop en daardoor meer efficiëntie en lagere kosten. Daarnaast krijgen melkveehouders, die denken het beter te de doen dan generieke normen, een instrument in handen om dat ook aan te tonen. Wat mij betreft vrijwillig.

Zoveel boeren, zoveel verschillende situaties. De kringloopwijzer is hetzelfde rekensommetje als hoe Nederland richting Europa de derogatie onderbouwt, maar dan op bedrijfsniveau. Iedereen kan bijdragen aan die onderbouwing. Besef ook dat als we de derogatie verliezen heel Nederland een mestoverschot heeft en dat de bodemvruchtbaarheid eerder terug zal lopen dan verder verbetert. Dat is volgens mij een net zo’n groot probleem voor extensieve bedrijven, die nu nog mest aanvoeren, als voor intensieve.  

Om vol te houden dat we keurig binnen alle milieurichtlijnen blijven, is een breed gedragen en wetenschappelijk onderbouwd instrumentarium nodig. Het is niet anders. We kunnen wel hard roepen dat we efficiënt zijn, veel van ons land halen en weinig verliezen, maar daar trekken anderen in deze samenleving zich weinig van aan. De kringloopwijzer helpt om het Nederlandse verhaal te onderbouwen, ook richting milieuclubs die de sector liever verder zien krimpen. De zoektocht naar bedrijfsspecifiek maatwerk en het behoud van ontwikkelruimte en bodemvruchtbaarheid heet: KringloopWijzer. 

Ik ben het direct met jullie eens dat de bodem vrij beroerd in de kringloopwijzer zit. Daar ligt ook nog een uitdaging. De kringloopwijzer functioneert op dit moment wettelijk gezien als de BEX, een dierbalans, de handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie, die sinds 2006 in de Nederlandse wet verankerd is. Velen van jullie vergelijken de kringloopwijzer ook 1 op 1 met de BEX en verwijzen naar de “BEX- voordelen”. Maar de kringloopwijzer is meer en moet ook meer worden. Bedrijven met een hoge bodemefficiëntie zouden ook voordeel moeten krijgen.

Uitgebreide statistische analyses van meer dan 700 kringloopwijzers laten zien dat weidegang niet leidt tot een lager BEX-voordeel. Ook de intensiteit doet er niet toe. Maar laten we afspreken dat als je BEX-, BEA-, BEP-, BEN- en BEC-berekeningen allemaal maar niks vindt, print dan gewoon de bladzijde uit met de mineralenbalans (Bijlage 1C). Daar wordt niks aan gerekend, maar daar kun je wel veel van leren. Die is naar mijn mening prima als verantwoording richting de duurzame zuivelketen. En als je daar goed scoort (de oude MINAS-balans) dan moet het goed zitten met je kringloop.

19. De CONO-stal, juli 2015

Het kan inmiddels naar buiten gebracht worden, samen met CONO Kaasmakers gaan we werken aan stallenbouw. De werktitel: De CONO-stal. Dat wordt niet één model stal, juist niet. Het wordt een stal die maximaal waarde toe gaat voegen voor de boer, koe, omgeving, het dorp en uiteindelijk ook voor het merk CONO en Beemsterkaas. 

Waarom? Het stallenbouw proces loopt natuurlijk niet bepaald lekker in ons land. Als er één mol te veel ammoniak wordt berekend, dan wordt de vergunning afgewezen. De Natuurbeschermingswet met de PAS en het Aerieus model zijn de spreekwoordelijke “stok” geworden waarmee de overheid de sector in bedwang houdt. 

Innovatie in de stallenbouw richt zich naast dierenwelzijn dan ook volledig op ammoniak: van dichte roostervloeren tot luchtwassers, en daar worden de stallen niet bepaald mooier van. Sterker nog: zo’n stal kan misschien minder uitstoten dan een gemiddelde bierscheet, de burger ziet een grote fabrieksachtige hal die steeds minder op een koeienstal lijkt. Zie hier het allergrootste probleem: een stal moet een stal blijven en het moet vooral herkenbaar blijven wat daarin gebeurt. 

Maar de communicatie richting u is heel anders, daar staat: “pas op voor architectonische snufjes” want die zouden leiden tot kostenverhoging. Ik zou het toch anders willen stellen, die architectonische snufjes kunnen wel eens bepalend zijn of u de maatschappelijke waardering als boer behoudt en of uw omgeving u zal blijven prijzen. In plaats van dat u veroordeeld wordt tot “megastal”. Want het enige juiste antwoord op al die chagrijnige ‘ammoniak’ en die Zembla uitzendingen is volgens mij een vrolijk positief verhaal! En de meesten van u hebben dat verhaal gewoon, u moet het alleen beter leren verkopen.

Helemaal eens dat een catalogus-stal het allergoedkoopste is, maar u moet er waarschijnlijk nog 25 jaar in boeren. Dus een beetje meer tijd en aandacht voor het ontwerp moet toch kunnen? Dat is ook mijn grootste bezwaar tegen de serre-vrijloopstal, hoe goed ik het concept ook vind, het ziet er te industrieel uit met dat dak.  

De CONO heeft met de nieuwe kaasmakerij een prachtig voorbeeld neergezet. Een groot gebouw keurig ingepast in het mooie Beemster werelderfgoed landschap. Ze winnen prijs na prijs en naast grote waardering, genereert het ook weer nieuwe verkoop. Wij gaan naar dat voorbeeld mooie stallen ontwerpen die het landschap sieren en we gaan op zoek naar partijen die daar ook belang bij hebben. Dus hier alvast een oproep aan de lokale Rabobank, gemeentes en natuurorganisaties om vooral mee te doen, mee te investeren, want ook voor hen is er heel veel te winnen!

18. Hardleers, juni 2015

In januari 2014 schreef ik mijn eerste column voor MelkveeMagazine. Die ging over het loslaten van het topsportmodel. De koe als topsporter. Daarin schreef ik dat iedereen geld verdient aan die topsport, behalve de boer. Nu 1,5 jaar later, na het afschaffen van het melkquotum, hoor ik dat er in den landen weer volop geadviseerd wordt om maar weer een kilootje extra krachtvoer te voeren. Want de melkproductie per koe moet omhoog. En dan kan dat kilootje makkelijk uit??

Collega Hans Dirksen en ik hebben in ons leven nog nooit een relatie gezien tussen melkproductie per koe en het inkomen van de boer. Mocht die relatie er wel zijn, dan is hij eerder negatief. De enige relatie die vrij helder is, is de relatie tussen lage voerkosten per liter melk en de kostprijs per liter melk. Uit de database rolt keurig: hoge voerkosten = significant lager netto bedrijfsresultaat, lagere arbeidsopbrengst, lagere cashflow en minder marge.

Dus meer melken? Prima, maar zorg dan eerst dat je voerkosten laag zijn. Anders is het harder werken en minder verdienen! Wat is dat toch met al die “gratis” advisering in ons land. Wij weten dat u, op een handje vol eigenwijze boeren na, nauwelijks wil betalen voor onafhankelijk voeradvies. Maar zeker de bedrijven die flink gefinancierd zijn, zou ik toch willen aanraden er alles aan te doen om die erfbetreders vooral van het erf te houden. Beter een eigenwijze koers richting lage kosten gaan varen.

En waarop focussen die onafhankelijke adviseurs zich? Op een betere kwaliteit en hogere benutting van je eigen voer, stront en grond! En het grote verschil is dat ze na die boodschap niet stiekem toch beginnen over een mooie MaxiProductie brok.

Een lezer vroeg zich nog af hoe je nu meer inzicht kunt krijgt in die eigen ruwvoerproductie? Weegbruggen zijn niet praktisch en de loonwerker is druk om alles voor de bui regen naar binnen te halen. Volgens mij is het “u vraagt, wij draaien”. Maar niemand vroeg er om. De loonwerker kan een stuk automatisering toepassen, er komen de laatste jaren ook veel innovaties op de markt. Ladewagens die kunnen wegen en hakselaars die drogestof metingen kunnen doen in de pijp. Fabrikanten zijn er mee bezig. Wel zit er bij gras nog steeds meer ruis dan bij maismetingen.

Misschien na meer dan 50 jaar(?) investeren in melkcontroles, gaan we de komende 50 jaar investeren in de productieregistratie van de percelen en de ruwvoerbenutting. Grondstoffen worden alsmaar duurder en als u niet oppast wordt uw bedrijf compleet afhankelijk van de MaxiProductie.

17. De revival van de voederbiet, mei 2015

Zaadfirma Limagrain adverteerde de laatste maanden behoorlijk met voederbieten. Als zij iets promoten, dan heb ik van nature altijd mijn bedenkingen, zeker omdat mijn vorige column ging over niet ploegen. En: hoe meer permanent grasland in je bedrijf, hoe minder je Limagrain nodig hebt, zullen we maar zeggen. Toch hebben ze met hun “bietencampagne” wel een punt. Bieten passen perfect in het rantsoen van melkkoeien: eiwitarm en energierijk. Het zou nog wel eens een groter succes kunnen worden als de voederbiet op het melkveebedrijf binnen de 80% derogatie-gewassen kan vallen.

Bieten onttrekken minstens zoveel uit de bodem als gras. Frans Aarts, onderzoeker bij WUR, vertelde me dat ze de bodem “kats leeg trekken”. Daardoor geeft het hoge opbrengsten met lage verliezen. De Nederlandse invulling van de Nitraatrichtlijn eist voor derogatie 80% grasland. In de tekst van de nitraatrichtlijn gaat het om “gewassen met een hoge stikstofbehoefte of stikstofopbrengst”. Nederland heeft dat gemakshalve ingevuld met grasland, maar een gewas als voederbieten plus het loof is net zo sterk stikstofbehoeftig, of zelfs sterker, als grasland. De mogelijkheid zou zijn om het areaal grasland plus voederbieten als 80% binnen de derogatie te rekenen. Dat geeft ineens veel meer ruimte in bouwplannen.

Nu hoor ik u denken, eerst komt ie met hooi en nu met mangels (dat is de Brabantse naam voor voederbieten, afkomstig van het door de mangel, de versnijder, halen). Maar vanuit de veevoeding is een voederbiet energie uit suiker! Ook niet te verwarren met een suikerbiet, want de voederbiet geeft langzamere pensenergie voor de koe. Maar belangrijker: een hele andere soort energiebron als energie vanuit mais.

Ik zie nu rantsoenen met grote aandelen mais en dus een overmaat aan bestendig zetmeel op dikke darm niveau. In de dikke darm treft de koe van nature helemaal geen zetmeel aan. Volgens sommige deskundigen één van de oorzaken van een verminderde diergezondheid. Gras, mais en bieten zijn misschien wel een hele gezonde mix.

Voederbieten zijn verdwenen uit gemakzucht: de teelt, bewaring en het voeren is lastiger dan bij mais. Het wassen is bijvoorbeeld een heel gedoe, maar zoek eens op YouTube naar bietenwassen, dan zie je ook al hoe makkelijk het kan. In bijvoorbeeld Duitsland is grootschalige was- en snijtechniek beschikbaar, dat moeten we dan naar Nederland zien te halen. Waar een wil is, is een weg!

16. De ploeg in het grasland? april 2015
Deze column schrijf ik samen met graslandonderzoeker Nick van Eekeren van het Louis Bolk Instituut.

Er lijkt iets mis te gaan in Nederland. Het Ministerie heeft onderscheid gemaakt tussen tijdelijk en blijvend grasland. In de vergroeningseisen van het nieuwe GLB wordt een perceel grasland wat minimaal 5 jaar achter elkaar grasland is geweest, aangeduid als blijvend grasland. Is op een perceel korter dan 5 jaar gras verbouwt, dan heet het tijdelijk grasland, ofwel is het bouwland.

Nederland heeft in Brussel afgesproken dat de hoeveelheid blijvend grasland niet meer dan 10% mag teruglopen ten opzichte van het referentiejaar 2012. De hoeveelheid grasland hangt samen met onze derogatie en de invulling van onze GLB betalingen. Wanneer het nationaal percentage blijvend grasland meer dan 5% terugloopt ten opzichte van 2012, dan word een individuele herinzaai verplichting ingesteld om te voorkomen dat de 10% bereikt wordt. Dit betekent dat na het scheuren van blijvend grasland het verplicht wordt direct weer gras terug te zaaien. Bovendien als u er tijdelijk grasland, ofwel bouwland, van gaat maken, en u heeft meer dan 30 hectare bouwland, moet u straks 5% van het areaal inrichten als ecologisch aandachtsgebied, anders mist u de GLB premies.

Tot voor kort leek er niks aan de hand met de hoeveelheid blijvend grasland, want de mestwet en de derogatie stimuleren ook tot 80% grasland in het bouwplan van de melkveehouder. Bovendien is een perceel grasland wat weer opnieuw wordt ingezaaid voor de wet nog steeds blijvend grasland. Maar door er nu de aandacht op te vestigen en het de status ‘blijvend’ of ‘tijdelijk’ te geven, zijn er blijkbaar bedrijfsadviseurs in den landen die oproepen de ploeg er maar in te zetten. Hun argumenten zijn dat zo voorkomen wordt dat grasland de status ‘blijvend’ krijgt met mogelijke extra beperkingen of waardedaling van de grond als gevolg. Het resultaat van deze actie is echter dat we alleen maar sneller richting een verplichte herinzaai gaan.

Dit is jammer, want er is geen enkele reden om grasland te scheuren, sterker nog: oud grasland heeft vele bijzondere kwaliteiten! Het zorgt voor een efficiënte grasproductie, verbetert de bodemkwaliteit en biedt zogenaamde ecosysteemdiensten als waterregulatie, minder uitspoeling, vastlegging van CO2 en meer biodiversiteit. Net als een ouwe koe moet je naar oud grasland streven of je moet het akkerbouwmatig gaan rouleren, ongeacht wat ze in Brussel of Den Haag bedenken.

Wij missen hier een sterk tegengeluid vanuit de landbouworganisaties. Inspanningen als “Goud van oud graslanden” en de talrijke pleidooien om grasland zo oud mogelijk te laten worden straks om zeep geholpen door verkeerde interpretatie van de GLB regelgeving, terwijl de intentie van die regels juist is om oud grasland te stimuleren. Dat zou jammer zijn! Want voor de melkveehouderij is niets zo makkelijk als aan de samenleving laten zien dat ze een grote maatschappelijke bijdrage leveren via hun oude graslanden en daarom ook maatschappelijk geld (vergroening) verdienen.

15. Jaar van de bodem. maart 2015

2015 is het jaar van de bodem. Zonder bodem geen voer, zonder voer geen melk. De oplossing tot hogere efficiënties, minder verliezen en lagere kosten ligt voor een belangrijk deel in die bodem. In Nederland zou het moeten lukken om 10.000 KVEM van een hectare te benutten. Ik zou zeggen een prachtige ambitie voor 2020 en de moeite om overal in de duurzaamheidsprogramma’s van de melkfabrieken op te nemen. Beter voor de boer, beter voor de aarde.

Maar ja, als je niet weet hoeveel een hectare opbrengt, hoe weet je dan hoeveel er op jouw bedrijf nog te winnen is? En als je niet weet hoe groot de verschillen tussen de percelen zijn, hoe weet je dan waar de mest het beste tot zijn recht komt? Wat is de dosis-respons-curve van het perceel? Bij sommige koeien geeft een extra kilootje krachtvoer 2 liter melk, maar bij andere niet. Bij de bodem is dat net zo, sommige bodems reageren beter op organische stikstof, andere op minerale stikstof. Op dit moment wordt er vooral aan ‘flat-bemesting’ gedaan en vaak ook nog op het verkeerde moment.

“Er is te weinig kennis van de bodem” hoor ik vaak. Of dat zo is begin ik te betwijfelen. Want overal staat het geschreven: ontwatering verbeteren, geen zware machines, organische stofgehalte verhogen, compost, doorzaaien in plaats van ploegen, bodemleven stimuleren, meer en diepere beworteling, bekalken bij een te lage pH, niet te vroeg bemesten …. Ik ben inmiddels in staat om het lijstje om te bouwen tot 10 geboden en in de tractor of boven het bed te komen hangen…want vooralsnog heb ik niet het idee dat de boodschap echt blijft hangen.

Volgens mij is het echte probleem dat de bodem niet stoer en sexy genoeg is. Een grote stal bouwen met melkrobots is natuurlijk veel stoerder, grote tractors en grote hakselaars ook. En een filmpje op internet waar een tractor een halve meter is weggezakt, is natuurlijk helemaal stoer. Vooral op de agrarische scholen is het volgens mij onmogelijk om aan de bodem een sexy draai te geven.

In het jaar van de bodem moeten we misschien toch eens wat pogingen doen. Laatst vertelde iemand dat we naar een MPR (MelkProductieRegistratie) van de bodem moeten. Levert uw loonwerker al een GPR (GrasProductieRegistratie) op na het inkuilen? De levensproductie van een perceel belonen? De 100.000 kg drogestof award op grasland zonder te scheuren? Het 10.000 kg Ruw Eiwit perceel? Ik zie ook mogelijkheden voor infraroodbeelden, satellietbeelden, automatische opbrengstbepalingen, sensors in de pijp van de hakselaar, GPS-tracks, apps op de telefoon, drones. Best stoer toch? Misschien moeten de leraren bodemkunde en graslandkunde het eens op deze manier gaan proberen?

En wat gaat u dit jaar met uw bodem doen, behalve de muizen en ganzen er vanaf jagen?

14. Lekker lang houdbaar. februari 2015

Met veel bombarie presenteerde Arla onlangs melk die na het openen van het pak niet de gebruikelijke drie, maar zeven dagen vers blijft. Dijksma nam het eerste pak in ontvangst en bestempelde het als innovatief, onder het mom van minder verspilling. Ik zou zeggen: trap er niet in!

Jaarlijks verdwijnen miljoenen liters melk onnodig in de gootsteen, omdat de melk in korte tijd zuur wordt. Volgens Arla gaat het in Nederland jaarlijks om 70 miljoen liter. Met andere woorden: zo’n honderd melkveehouders produceren op dit moment voor de riolering? Te lezen is: ‘Om de betreffende bacteriën uit de melk te halen, heeft Arla het melkfilter aangepast en zijn de vullijnen vernieuwd. Er hangen speciale melktanks met extra gezuiverde lucht erin. De machine vult 14.000 literpakken per uur. Ze worden extra ontsmet met een vleugje waterstofperoxide. Daarna worden de pakken met warme lucht droog geblazen en smelt de machine de kunststof sluiting aan elkaar.’

Het klinkt nog aantrekkelijk met ‘een vleugje waterstofperoxide’, maar de melk wordt er volgens mij niet bepaald lekkerder van. Daarnaast is ‘lekkere melk’ en ‘lang houdbaar’ als vloeken in de kerk. Vers van de koe, onverkloot, recht in het pak, klinkt een stuk beter.
Waarom doet Arla dit? Nou, voor Arla kunnen de logistieke kosten fors omlaag. Je hoeft minder vaak vrachtauto’s te laten rijden en winkels kunnen een grotere voorraad aanhouden. Dit gaat wel ten koste van de kwaliteit van de melk, de levende micro-elementen worden eruit gefilterd. De melk wordt feitelijk nog verder dood gemaakt en de smaak wordt ook anders. Arla zegt dat het een tegemoetkoming aan de klant is en dat ze zo verspilling bestrijden. Onzin, want zelfs alleenstaanden kunnen in drie dagen (de houdbaarheid van nu) makkelijk een halve liter melk wegwerken.

Arla verarmt de melk, eiwitten en enzymen worden verder gedenaturaliseerd, de melk ‘roomt niet meer op’ en smaakt (zomer en winter) altijd hetzelfde. Sommige consumenten stellen terechte vragen over de (lange termijn) gezondheidseffecten van bewerkte melk. Want met al die bewerkingen kan een effect verwacht worden op aandoeningen zoals melkintolerantie en melkallergie. Bekend is dat het drinken van onbewerkte melk samengaat met een lager risico op eczeem, astma of andere allergische aandoeningen. Het drinken van rauwe melk draagt dus bewezen bij aan de opbouw van een robuuster immuunsysteem.

Als ik Arla was zou ik melk nog korter houdbaar en nog rauwer in het schap proberen te krijgen, goed voor de weerstand en met nog meer smaak. Voor de zekerheid kan er een waarschuwingssticker op: drinken op eigen risico. Misschien als we het hip vormgeven neemt Dijksma het ook weer in ontvangst, maar dan als innovatief slowfood.

(Deze column is als input gebruikt voor een discussie op Foodlog.)

13. Grondgebonden. januari 2015

Wat staat er bij u op het verlanglijstje voor 2015? Een nieuwe stal? De kringloop verder sluiten? Meer melken? Grond kopen?

In 2015 gaan we ervaren hoe het leven er zonder melkquotum uit zal zien. Ik ben benieuwd wat er zal gebeuren, want net als vele van u weet ik niet anders dan dat er een melkquotum bestaat. De prijzen zullen ongetwijfeld meer gaan schommelen. Krijgen we misschien 7 vette en 7 magere jaren? Als ik zo om me heen kijk zal het voor sommigen niet meevallen om die magere jaren goed door te komen. Vooral niet wanneer je een nieuwe stal hebt neergezet met een behoorlijke financiering en weinig eigen voer meer hebt, omdat alle adviseurs je hebben afgeraden grond te kopen. Zolang al die keuzes maar bewust zijn gemaakt en niet omdat ‘iedereen het ook doet’, hoor je mij er niet over.

Een van de gevolgen van het afschaffen van het quotum is dat de Tweede Kamer zich is gaan buigen over een nieuwe melkveewet en grondgebondenheid. Eind december werd ik opgeroepen door de Tweede Kamer om mijn mening te geven. Veel politieke partijen schreeuwen moord en brand, omdat er megastallen zouden komen zonder grond en met de koeien permanent op stal. Hoewel ik een groot voorstander ben van weidegang, als ook van grondgebondenheid (of beter: gebonden aan voer van dichtbij), ben ik geen voorstander van meer wetten en regels. Een melkveewet stimuleert naar mijn mening niet tot beter vakmanschap, tot minder verliezen, lagere kosten, gezondere bodems, regionaal gesloten kringlopen… ofwel het stimuleert niet tot toekomstgerichter boeren. Zijn er geen aantrekkelijkere alternatieven denkbaar?

Mijn gedachte gaat uit naar het zoeken van nieuwe fiscale afschrijvingen. Omdat straks niet meer op melkquotum afgeschreven kan worden, zou het misschien interessant zijn om grond af te schrijven? Pachtkosten anders te belasten? Niet voor burgers of boomtelers, maar alleen voor boeren die mest produceren.

Ook zijn er tal van mooie voorbeelden van “kavelruil” projecten. Zeer de moeite waard om meer tijd, energie en vooral politiek in te gaan stoppen. Misschien nog meer voordelen creëren voor het plaatsen van mest op eigen land in plaats van op dat van iemand anders? Samenwerking met akkerbouwers belonen in de “vergroening”?

De samenleving wil grondgebondenheid, met grondprijzen die tot de hoogste van de wereld behoren. Dus bestuurders, maak in 2015 weer eens serieus werk van een boervriendelijk grondbeleid, in plaats van inhoudsloze melkveewetten.

12. Landbouw en natuur nooit scheiden!  december 2014

Vorige maand nam Douwe Hoogland afscheid als voorzitter van agrarische Natuur- en Landschapsvereniging Noordelijke Friese Wouden. Ik heb altijd veel bewondering gehad voor zijn inzet en die van zijn voorgangers. Het begon namelijk meer dan 20 jaar geleden, in 1992, met de oprichting van de milieucoöperaties VEL en VANLA. Reden: alle veebedrijven werden op slot gezet omdat landschapselementen (houtwallen en elzensingels) als verzuringsgevoelig werden aangewezen. Al snel bleek echter dat een boer de natuur niet verpeste, maar er juist heel veel in investeerde. Een ogenschijnlijke bedreiging (het landschap) werd omgezet in een kans en inmiddels staat het agrarisch natuurbeheer overal op de agenda’s, met bijbehorende budgetten.

De Agrarische Natuur Verenigingen (ANV’s) hebben het echter niet makkelijk. Het blijft knokken om draagvlak te behouden: binnen het eigen gebied en de boerenachterban, maar ook richting alle bestuurslagen die Nederland kent. Dat terwijl alle ANV’s waarmee ik werk (zoals bijvoorbeeld ’t Onderholt, Vallei Horstee, Bronsgroen, Water, Land en Dijken, Vockestaert, Gagelvenne, Idsegea) als geen ander laten zien hoe landbouw, natuur en milieu succesvol gecombineerd kunnen worden, en hoe burgers meer betrokken kunnen worden.

“We redden ons er mee” is een bekende uitspraak uit de Friese Wouden. Dat betekent: ambtenaren kunnen op afstand meekijken of doelen gehaald worden en het gebied krijgt het vertrouwen (en het budget!) om zelf de meest effectieve oplossingen te kiezen. Het Ministerie heeft de milieucoöperaties door de jaren heen “gedegradeerd” tot agrarische landschapsverenigingen die alleen aan het landschap werken. Op de andere dossiers (zoals mest, water, klimaat) is weinig voortgang geboekt met deze zogenaamde “zelfsturing”. Ruimte om af te wijken van generiek (ammoniak)beleid, waar het ooit allemaal mee begon, is er nog altijd veel te weinig. Ofwel; de voordelen van ANV’s komen onvoldoende uit de verf.

Het lijkt alsof veel ambtenaren, maar zeker ook sommige onderzoekers, altijd maar weer een scheiding willen maken tussen agrarische natuur en “echte” natuur. Met als uiteindelijke gevolg dat er minder geld richting de landbouw gaat, en méér richting natuur.

Dat een boer heel goed natuur kan beheren dringt inmiddels ook door bij de zuivelfabrieken. FrieslandCampina kent er in 2014 eindelijk een Foquspunt aan toe. Het pionierswerk van de ANV’s lijkt zich ook daar uit te betalen. Toch is er nog een hele weg te gaan. Want ook onder u zijn er veel meningsverschillen. Maar hopelijk raakt ook u overtuigd dat boeren met natuur een stuk beter zal blijven verkopen dan boeren zonder natuur.

11. De creatie spiraal. november 2014
Als adviseurs schrijven en roepen we nogal makkelijk dat u het allemaal anders moet doen en dat de winst voor het oprapen ligt. Als ik dan naar mezelf kijk, dan vind ik het ook best lastig om het eens anders te doen. Ik weet best hoe het anders moet, ik barst ook van de goede voornemens, maar de dagelijkse sleur is nu eenmaal moeilijk te doorbreken. Wensen en ideeën omzetten naar concrete acties, dat is de kunst. Marinus Knoope heeft daar een creatie spiraal voor bedacht. Twaalf stappen van wensen naar realiseren (www.decreatiespiraal.nl). Het heeft mij best vaak geholpen, misschien helpt het jullie ook wel.

  1. Wensen: Het begint met een wens, en die is positief geformuleerd en geeft je energie.
  2. Verbeelden: Hoe ziet het eindresultaat van jouw wens eruit? Wat zie je voor je?
  3. Geloven: Als jij er niet in gelooft, wie dan wel? Maar troost je, je hoeft ook niet alles alleen te gaan doen.
  4. Uiten: Tijd om je wens te uiten, hoe meer mensen het weten, hoe groter de kans dat het ook gaat gebeuren.
  5. Netwerken: Ga je omringen met mensen die jouw wens kunnen realiseren.
  6. Plannen: Bepaal de agenda, anders gaat het nooit gebeuren.
  7. Beslissen: Samen met je partners knopen gaan doorhakken.
  8. Handelen: Het echte werk is begonnen: stap voor stap van wens naar werkelijkheid.
  9. Volharden: Je moet wel volhouden, vallen en opstaan en jezelf op de proef stellen.
  10. Ontvangen: Genieten van je succes, dat vult je energie weer aan.
  11. Waarderen: Evalueer wat ging er goed en wat kon beter.
  12. Ontspannen: Tijd voor bezinning en weer ruimte maken voor nieuwe wensen!

Stap 7, 8 en 9 zijn het moeilijks. Maar waar droomt u van? Zelf zit ik teveel achter de computer, terwijl ik graag ook eens iets concreets met mijn handen zou willen maken. Het liefst een lekkere boerenstinkkaas. Volgens mij is er namelijk nog voldoende ruimte in de schappen voor een bijzonder Hollands kaasje met een aansprekende naam. Daar moet serieus toegevoegde waarde mee te creëren zijn. Alleen moet het wel professioneel aangepakt worden, niet te kneuterig, want ik wil juist een breder publiek via de supermarkt gaan bereiken. Inmiddels heb ik ook al wat mensen gevonden die mee willen doen. Foodlog.nl doet mee, maar misschien wilt u ook wel eens een avontuur met uw melk aan? Dus na deze column zit ik al bij stap 4.

10. Dichter bij de natuur. oktober 2014
De meesten van u zien zichzelf graag als ondernemer en niet als boer. Persoonlijk denk ik echter dat u als boer beter ‘verkoopt’. Boer zoekt vrouw, boerenwijsheid, boerenkaas, boerengolf …. Boer zijn is hip! Heel veel ondernemingen pretenderen een imago van natuurlijk, van dichtbij of authentiek, maar u bent dat gewoon! Zeker melkveehouders met hun ‘aaibare’ koeien hebben echt iets te verkopen. U moet zich eens voorstellen wat grote bedrijven aan reclamebudgetten besteden om puur en eerlijk over te komen, dat is onvoorstelbaar. U vertelt een willekeurige burger met al uw passie iets over hoe de pens van de koe ruwe celstof omzet in melk en het bodemleven de mest omzet in voer, en het effect is groter!

Grote bedrijven zijn als de dood voor imagoschade. Als ze claimen dat het natuurlijk is en het wordt door ‘keuringsdienst van waarde’-achtige programma’s onderuit gehaald, dan verdampen al hun geïnvesteerde miljoenen en weg is hun imago. Dat gevaar is er ook voor grote merken als Campina, zie daar de noodzakelijke verdubbeling van de weidegangpremie.

Toch liggen er dichterbij huis ook uitdagingen, want het imago versterken blijft nodig. De meesten van u vinden het allemaal maar onzin, maar als ik de deskundigen mag geloven, wordt toch de één na de andere vergunning voor uitbreiding in Nederland afgewezen, soms maar op een ½ mol ammoniak aan te veel berekende ammoniakuitstoot (en wist u dat 1 koe 4 mol ammoniak per dag schijt?). Dat komt door een handjevol chagrijnige milieuactivisten. Het enige juiste antwoord daarop: een vrolijk positief verhaal en aan het grote publiek laten zien hoe u het doet. Hoe u voor de koeien zorgt en hoe u het mooie landschap onderhoudt. (Dat u de wereld moet voeden, gaat er bij het grote publiek niet zo goed in, want u voedt vrij eenzijdig met melk ….heel veel melk….).

Volgens mij moet de sector gaan communiceren over de natuur. De boer is geen milieuvervuiler, maar staat dichter bij de natuur dan menig andere beroepsgroep. Dat verkoopt! Zo weten velen van u vol passie te vertellen over de geschiedenis van de streek, over de bodem, over weidevogels, over de wildstand, over pinksterbloemen, over hooibouw enzoverder. Ieder zijn hobby, maar het zijn precies die gepassioneerde verhalen over de natuur die u meer moet gaan vertellen! Aan voorbijgangers, in de plaatselijke krant, met open dagen, op scholen, in het nieuws enzoverder.

Dus het antwoord op al die chagrijnige ammoniak/milieufanaten wordt een vrolijk verhaal over de natuur! En reken maar dat u daar meer van weet dan zij, u werkt er immers dagelijks mee. Vanzelfsprekend moet dat verhaal wel blijven kloppen, geen greenwashing, daar moet iedereen aan blijven werken. Maar op deze manier kan, maatschappelijk verantwoord, veel meer dan 12 miljard liter melk geproduceerd worden in het kleine Nederland, nu en in de verre toekomst.

9. De stal-voerbalans terug? september 2014
Ik ben onlangs verhuisd en toen vond ik het boekje “Rantsoenberekeningen voor het gemengde bedrijf” van mijn vader. Ik schat uit 1965. Daarin staat geschreven: “Hoe krijg ik mijn koeien goed en voordelig door de winter? Lukraak voeren is een dure methode. Stap 1: schat hoe groot uw voorraden ruwvoer zijn, stap 2: ga na hoeveel koeien u heeft te voeren, stap 3: schat hoe lang de koeien op stal zullen staan.” Verderop is te lezen: “Door elke 14 dagen te wegen stelt u vast hoe groot het rantsoen daadwerkelijk is”.

Ik was al overtuigd dat in het quotumloze tijdperk de oude ‘stal-voerbalans’ weer uit de kast moest, maar nu weet ik het zeker. Zonder beperkingen van melkquota is het ruwvoer een van de eerst beperkende factoren. Zolang er voer genoeg is, ben ik een roepende in de woestijn, maar stel het stalseizoen duurt eens wat langer? Of vanwege droogte missen we allemaal een snede? Of … er breekt oorlog uit in de grootste graanschuur van Europa? Dan is er al snel een tekort aan goed voer. En iets wat schaars is, wordt duur.

De koe van vroeger kon misschien overleven op kwalitatief minder goed voer en op stro, maar de koe van nu moet kwalitatief topvoer hebben om 50 liter te blijven geven. Al is het maar omdat anders de diergezondheid onder druk komt te staan. Ik pleit ervoor dat elke boer weer eens een paar simpele rekensommetjes gaat maken: hoeveel kg drogestof (massa), VEM (energie) en RE (eiwit) heeft mijn veestapel nodig? Vervolgens een plan maakt waar dat voer vandaan gaat komen. “Gewoon van de meelboer” vind ik niet echt een goed plan.

In die berekening zitten ook een flink aantal aannames, die moeten regelmatig gecheckt worden. Komt er bijvoorbeeld wel 1 liter melk uit 1 kg drogestof? Of komt er 1 liter melk uit 0,8 kg drogestof? Dat scheelt op jaarbasis bij 1 miljoen liter melk 200.000 kg drogestof! Gelijk aan zo’n 57 ha kuilgras of 14 ha mais. Maar ook andere factoren als: hoeveel jongvee moet er gevoerd worden? En komt er wel 3.500 kg drogestof van een maaisnede of 2.000 kg van een weidesnede? Enzoverder.

Het mooie van de kringloopwijzer is dat een groot deel van die berekeningen daar al in zitten. Dus als je de gemiddelde kringloopwijzercijfers van de afgelopen 3 jaar neemt, dan weet je al hoe jouw bedrijf presteerde. Maak met die cijfers en met de behaalde efficiënties uit het verleden maar eens een voorspelling voor de toekomst. Zo bent u in elk geval goed voorbereid voor ‘bevrijdingsdag’, maar ook voor een handelsboycot.

8. Ga toch hooien! augustus 2014
Ik geloof dat ik wat ontketend heb in Nederland. Naast de stempel “kringloop” staat er inmiddels ook een stempel “hooi” op mijn voorhoofd. Ofwel, er zijn veel mensen die weten dat ik voorstander ben van hooien. Niet vanwege al het werk, alhoewel dat best gezellig kan zijn met bier* na afloop, maar vooral vanwege de veevoeding.

Voor gezonde koeien met een economisch optimale melkproductie, moet een gezond rantsoen liggen. Als je snapt hoe de pens van een koe werkt, dan snap je hoe het voer zich gedraagt in die koe. Dan weet je ook dat je in de penswand met een mes kunt steken, maar dat de koe daar weinig van zal voelen. Ofwel prik, zoals dat vaak wordt uitgelegd, bestaat niet. Trouwens, in weidegras zit ook geen prik. Het gaat feitelijk om de eigenschappen van het voer dat de koe voorgeschoteld krijgt. Als je plantencellen namelijk met veel diesel kapot maakt door het te kneuzen, te hakselen en vervolgens in de kuil laat afbreken door bacteriën, geeft dat totaal ander ruwvoer dan wanneer het rechtstreeks van de maaier de ronde baal in gaat. Op papier kunnen ze echter precies dezelfde VEM hebben. Ofwel: je eigen voer kun je dus letterlijk “maken of kraken”.

Koeien voeren is vakmanschap. Als het zo simpel was, dan had iedereen wel een hoge voerefficiëntie met lage voerkosten. Met chemische analyses proberen we grip te krijgen hoe het voer zich gedraagt in de pens. Maar eigenlijk kun je dit alleen goed beoordelen door het in je handen te nemen en er een keer in te knijpen en aan te ruiken. Dus elke voorlichter die niet verder dan de computer komt, kun je rustig weer naar huis sturen.

Een van die kwaliteiten die je van je eigen land kunt oogsten is suiker (energie) wat mooi ingepakt zit in een plantencel en daardoor heel rustig vrijkomt in de pens van de koe… ofwel hooi! Als je van dat lekker ruikende spul een jaar rond 1 kg per koe per dag in je rantsoen zou stoppen, heb je bij 100 koeien al minstens 10,5 ha hooi nodig! Dat kilotje hooi kan de rest van het rantsoen wel eens een stuk efficiënter maken. En misschien doet een halve kilo al wonderen?

Ja maar, lastig en vooral veel gedoe hoor ik u zeggen. Eens, een kilo soja voeren is veel makkelijker. Maar misschien moet u eens wat creatiever worden. Grote pakken maken. En misschien een hooiruif in het weiland? Of hooiruiven boven het voerhek? Zodat de koe overal en altijd hooi kan happen. Bij heel nat gras eet ze misschien meer dan wanneer het gras al heel droog is, maar geef de koe in elk geval de kans om zelf te kiezen!

* een beetje bierbostel past overigens ook heel mooi in een rantsoen met hooi, zo kunnen we die kringloop ook weer sluiten.

7. De voorloper beloond. juli 2014
Sommige van jullie weten dat, maar ik ben al een aantal jaren op zoek naar manieren om kringloopboeren, de voorlopers, te belonen. Belonen met een vergunning om uit te breiden waar dat eigenlijk niet meer kan. Belonen met meer mest plaatsen, omdat ze de organische mest hard nodig hebben. Belonen met extra GLB premies omdat ze aantoonbaar groener zijn. Belonen met lagere waterschapslasten, omdat ze duurzaam bodembeheer toepassen of belonen met meer vrijheid in de wet zodat ze zelf hun optimale mesttank kunnen uitkiezen. Laat de boer het lekker zelf uitzoeken, beloon het eindresultaat!

Wat dat van die mesttank betreft, daarvoor wil ik bij deze mijn vorige column rectificeren. In tegenstelling tot wat ik daar schreef, is het nog lang niet bewezen dat een systeem van “water over mest” ook onder alle omstandigheden lagere emissies of hogere benuttingen geeft. Daar werken we natuurlijk wel aan. En Wageningen UR werkt daar in de volle breedte voortvarend aan mee. Ik heb onterecht de suggestie gewekt dat het allemaal zo simpel is, maar dat is bepaald niet het geval.

Een aantal jaar geleden hebben we een kringlooprapport ontwikkeld. Een rapport wat ook onafhankelijk gecertificeerd kan worden. Elk jaar opnieuw zetten we enkele 100-den boeren “in de bloemen” als blijk van waardering voor hun inzet voor een duurzame melkveehouderij en voor hun mooie rapportcijfers. Dit jaar ook weer op Kampereiland, in Drenthe, de Friese Wouden, het Westerkwartier, in de Gelderse Vallei en in Midden Delfland.

Nu wordt dat door iedereen sympathiek bevonden. Voorzitters, burgemeesters en gedeputeerde zijn maar wat graag bereid om duurzaamheid te komen promoten. Toch als het puntje echt bij het paaltje komt dan merk ik dat de sector dit initiatief niet overneemt. De voorlopers belonen gaat er blijkbaar niet in. Liever generieke oplossingen, voor alle boeren gelijk. Naar mijn mening beloon je daarmee juist degene met een onvoldoende en erken je niet degene die hun nek uitsteken.

Hoewel melkfabrieken nooit hard voorop lopen, zetten zij de laatste jaren wel stappen om voorlopers te belonen. Met extra punten. Okay, door sommige van u “hocus foqus punten” genoemd, omdat het nog weinig voorstelt. Maar de basis ligt er. De fabrieken moeten ook wel, want ze willen naar de consument duidelijk maken dat ze duurzaamheid serieus nemen en de voorlopers in duurzaamheid ook ondersteunen en serieus belonen.

Maar waar houdt dit op? hoor ik velen van u denken. Tja, dat is een eeuwig dilemma. Maar u bent ondernemer. En er liggen in Nederland ook nogal wat duurzaamheidsuitdagingen. En met die houding komen we in elk geval nergens. Zoals het nu meestal uitpakt beloont de sector vooral de achterblijvers. Dus belangenbehartigers: maak meer werk van en beleid met je voorlopers.

6. Meten = weten! juni 2014
Eerder schreef ik al over ammoniak, deze keer stond ik zelf in het veld om ammoniak ook echt te meten. In Nederland rekenen we alleen maar aan de uitstoot van ammoniak, meten doen we nauwelijks meer. Dus daar stonden we dan eind mei in het grasland van een melkveehouder in Zuidwolde met een serie masten en buisjes om ammoniak op te vangen. Eigenlijk best simpel. De wind waait over het veld en in de windrichting plaats je een aantal masten met daaraan dwarsbalken met buisjes. In die buisjes zit salpeterzuur, wat ammoniak bindt. Je rijdt een oppervlakte mest uit, die gelijk staat aan een bepaalde hoeveelheid stikstof. Zodra de mest wordt uitgereden, gaan de dopjes van de buisjes en de masten overeind. De stikstof slaat of neer op de grond of verwaait en wordt opgevangen in die buisjes. Kosten: een paar in elkaar gelaste masten en vooral analysekosten om de gehaltes aan stikstof in die buisjes te bepalen.

Ik heb me staan verbazen dat het zo eenvoudig was. Het is vast de arbeid die het duur maakt? Maar wij hadden ook wat stagiaires en boeren die meehielpen. Het kost alles bij elkaar eerder 5.000 euro dan 50.000 euro. En met dat laatste bedrag komen de onderzoekers van Wageningen UR steeds. Zou het zo duur zijn omdat men bang is voor de uitkomsten?

De rekensom is eigenlijk niet zo moeilijk: er komt 25 m3 drijfmest op een hectare. In die drijfmest zit 4 kg N/m3 = 100 kg N/ha. De helft is minerale stikstof en kan vervluchtigen = 50 kg minerale N/ha. Met de zon aan de hemel, windkracht 8 en 30 graden straal blauw weer, vervliegt misschien meer dan 80% van die minerale N naar de buurman of naar een natuurgebied. Dus dan ben je 40 kg N/ha kwijt. Met weinig wind en een bui regen raak je misschien wel niks kwijt. Dit zijn de zogenaamde emissiefactoren waar het allemaal om te doen is. De zodebemester heeft een gemiddelde, in proefvelden gemeten, emissiefactor van 16% en bovengronds 74%, beide met een enorme spreiding. Maar met spreiding kan de overheid niks, dus dat laten we achterwege.

Wij hebben onder gelijke omstandigheden drijfmest uitgereden met de zodebemester en met de Greenduo (1 deel water over 2 delen mest). Eerste resultaat: ze geven ongeveer dezelfde emissie, terwijl mengen met dezelfde hoeveelheid water bovengronds een stuk hogere emissie geeft. Het moet nog goed geanalyseerd worden, maar het lijkt er toch sterk op dat het boerenverstand overwint: een bui regen tijdens en na het mestuitrijden doet wonderen!

5. Een plus op de melk. mei 2014
Ik ontmoet veel melkveehouders die op zoek zijn naar een ‘plus op de melk’ (een plus op het melkgeld). Een plus voor meer dierenwelzijn, voor het unieke landschap waarin ze wonen, voor duurzamere bodems, voor meer weidevogels, voor aantoonbaar gesloten kringlopen, voor meer biodiversiteit en ga zo maar door. Op zich een logische zoektocht, want iedereen voelt zich uniek! Maar in de praktijk is die ‘plus’ er niet zomaar.
Allereerst is het ontnuchterend om de cijfers van NZO te bestuderen. Daar kun je lezen dat in Nederland 11,8 miljard liter melk wordt geproduceerd en omgerekend gaan 89% van die liters de grens over. Van die totale melkplas is 1,1% biologisch (met EKO-keur) en dit percentage groeit licht. Zo’n 80% van de melk is van bedrijven die weidegang toepassen. De meeste (dagverse) consumentenproducten die zich voor een plus lenen, zoals een Campina Boerenland, worden inmiddels al met biologische melk of weidemelk afgevuld.
Een individuele boer kan in 3 richtingen zoeken naar een plus op zijn eigen inkomen: 1) in de eigen bedrijfsopzet en kostenbesparing, 2) richting de omgeving, het landelijk gebied (landschapsbeheer, GLB, groen-blauwe diensten) of 3) in de keten via de verkoop van zijn producten.
Om bij die laatste plus te blijven; voorheen was onze nationale plus de hoogstaande kwaliteit (veiligheid) die Nederlandse melkveehouders konden leveren. Koekompassen, kringloopwijzers, maar zeker ook weidegang zijn uitstekende middelen om de volgende stap in kwaliteit en duurzaamheid van de Nederlandse melk en dus de gehele (export)waarde te verhogen, of vast te kunnen houden. Maar hoe groter de coöperatie, hoe lastiger het is om individuele plussen uit te delen.
Laatst was ik aanwezig bij een melksalon waar we rauwe melk geserveerd kregen in champagneglaasjes. Je kunt makkelijk 2,50 euro per glaasje vragen (25 euro/liter?). Mooi verhaal over de herkomst erbij. Alleen dan heb je aan 10 liter melk ook al snel voldoende. Maar waarom niet een paar lekkere stinkkazen in de markt zetten? Met een klein deel van je melkplas eens experimenteren? Best uitdagend! Zeker niet makkelijk, maar voor een heel aantal van u helemaal geen rare investering om die plus te gaan realiseren.
Als marktbeschermingen en quota wegvallen is de melkmarkt een wereldmarkt. Ik denk dat duurzame melk en lage kosten tot op grote hoogte samen op kunnen gaan. Maar voor die plus op je melk zou ik met een paar collega’s gewoon eens wat liters en euro’s bij elkaar leggen om die lokale (niche)markten te gaan bedienen. Een mooi en vooral lekker product maken, hip logo, niet zo kneuterig, regionaal, authentiek. Misschien wel een investering die op lange termijn meer loont dan die paar spanten erbij?

4. Ammoniak. april 2014
Ik vermoed dat een melkveehouder meer dan gemiddeld kennis nodig heeft van scheikunde. NH3 (ammoniak), NO3 (nitraat), N2O (lachgas), P2O5 (fosfaat), CH4 (methaan), CO2. Probeer er maar eens soep van te maken. In ons land kent elk chemisch stofje ook een ander loket: NH3 komt u tegen als u een vergunning wilt bij de provincie of bij de overheid als u mest gaat uitrijden. NO3 in Brussel bij de derogatie. P2O5 in het Nederlandse mestbeleid en het dierrechtendebat en over CO2 praten de melkfabrieken en de bank: klimaatneutraal. Al die stofjes, die we helaas niet kunnen zien, houden de sector al meer dan drie decennia lang bezig.
Omdat we het niet kunnen zien, kan het alleen ingewikkeld gemeten worden en kunnen we er helaas alleen aan rekenen. Maar als je alleen kunt rekenen en modelleren, dan zijn er altijd mensen die ook op een andere manier rekenen en dan ontstaan meningsverschillen: zie hier de discussie rondom ammoniak en broeikasgassen. Meten = weten! Helaas, zo werkt het in dit geval niet. Het is heel duur meten! En als we meten, dan komen er vaak meer vragen dan antwoorden en moeten we nog meer meten.Toch is dit de realiteit waarin we leven.
C (organische stof) is volgens mij het allerbelangrijkste voor de boer, P zit in Chinese en Marokkaanse mijnen en wordt een keer schaars, dus dat is in ieders belang om daar zuinig mee om te gaan. N is op zich gewoon uit de lucht te binden, maar houdt de melkveehouderij het meeste bezig.
Onlangs las ik dat de tot nu toe geldende uitstoot van 11 kilo ammoniak per jaar per dierplaats verhoogd moet worden naar 13 kilo. Begin jaren 90 ging het er al over en feitelijk gaat het er nog steeds over: ammoniak. Deze zomer gaan we zelf ook weer meten. Want hoewel ik er niet voor doorgeleerd heb, zegt mijn boerenverstand: 1) als mest en urine niet bij elkaar komen, dan ontstaat er nauwelijks ammoniak, 2) wat er aan stikstof niet in zit, komt er ook niet uit en 3) water, wind en temperatuur zijn sterk bepalend voor de uiteindelijke ammoniakuitstoot/-verspreiding.
Dat laatste wisten boeren als Spruit uit Zegveld al veel langer, dus die verdunt de mest en sproeit nog een tank water na het uitrijden. Resultaat: verbluffend hoge opbrengsten met vooral ook hoge eiwit (lees N-)gehaltes in het gras. Van het Ministerie mag de methode Spruit niet en moet het in één werkgang, voila de duospray. En misschien is eerst water, dan mest, dan weer water wel het meest effectief, voila de tripplespray! Dat mag allemaal nog steeds niet, maar zodebemesten met een fel blauwe hemel en windkracht 7 is geen enkel probleem…
Deze column draag ik op aan melkveehouder Paul Blokker uit Midwoud, die onlangs op veel te jonge leeftijd is overleden. Paul streed voor een rechtvaardiger ammoniakbeleid.

3. De factor boer. maart 2014
Ik moet altijd een beetje lachen als ik weer een advertentie zie waarin beweerd wordt dat met een speciaal krachtvoer met een mooie naam, een nieuw maïsras of nieuw soort box-bedekking er 20% meer wordt gemolken. Heeft u al die claims wel eens bij elkaar opgeteld? Dat zou namelijk betekenen dat als ik Turbo maïs A zou inzaaien, ga inkuilen met inkuilmiddel Pro B, ga voeren in voermengwagen C, samen met krachtvoer LactoPlus D en de koeien op Powerbedding E laat liggen, ik zomaar 5 liter per koe per dag meer zou melken! Meestal is een realistischer scenario dat de kostprijs met 5 cent zal toenemen.
Laatst hebben we de opbrengsten van percelen maïsland met elkaar vergeleken. Een loonwerker heeft van zijn klanten bijgehouden welke maisrassen ingezaaid zijn, op welke datum is ingezaaid en welke opbrengst en kwaliteit dit vervolgens opleverde. Wat denkt u? Enorme spreiding tussen de 9000 KVEM en 19000 KVEM/ha en tussen de 3,2 en 7,2 ton zetmeel/ha. Het is wat puzzelen met de relaties, maar in elk geval geen enkele relatie met het maïsras.
Tja, als je alle factoren gelijk houdt, dan is er wetenschappelijk bewezen een effect. Maar zijn in de praktijk per definitie juist niet alle factoren altijd anders? En daarbij is de factor boer nog altijd de meest bepalende factor! Want het is de boer die te vroeg of te laat zaait en bemest en al dan niet rekening houdt met het weer bij bemesten. Of de loonwerker te laat bestelt en zo het optimale oogsttijdstip mist, waarna het vanggewas niet is aangeslagen, daardoor het organische stofgehalte achteruit is gegaan of eigenlijk op dat ene perceel helemaal geen mais had moeten verbouwen. Ofwel het boerenvakmanschap!
Ik zeg het soms bewust wat stelliger, maar ik kom op bedrijven waar het meer zin heeft om te werken aan het huwelijk, dan om zwavel bij te gaan bemesten. Ofwel wat zijn de hoofdfactoren en wat zit in de marge? Door een slecht huwelijk verslonst het werk, is men overal te laat bij en loopt men achter de feiten aan. Maar wie durft eerlijk te zeggen dat de wereld zo in elkaar steekt?
De echt onafhankelijke adviseurs plaatsen al die mooie beloftes in de context van het bedrijf en bij u als persoon. Die durven eerlijk te zeggen dat op uw bedrijf de hoogste INET stieren niet zullen werken, maar dat u beter kunt gaan inkruisen. Specialisten zijn er misschien wel te veel, maar wie kan van al die specialismes een aantrekkelijk en duidelijk verhaal voor de boer maken?
Mijn advies: kies onafhankelijke adviseurs, gooi je bedrijfsvoering open en bloot in de studiegroep en blijf werken aan je huwelijk 😉

2. De Brabanders tegen de Friezen. februari 2014
In Brabant (lees Zuid-en Oost-Nederland) hebben ze meer stront dan grond en in Friesland (lees Noord-en West-Nederland) meer grond dan stront. NZO, LTO en de overheid hebben besloten de kringloopwijzer verplicht te stellen voor alle bedrijven met een mestoverschot, voor Brabant dus? Maar een kringloop betekent grond en stront optimaal op elkaar afstemmen en wat schiet Brabant dan op met de kringloopwijzer?
Het geval is dat zowel Noord als Zuid een uitdaging hebben. In het Noorden kom ik bedrijven tegen met de wereld aan land en toch meer dan 30 kg krachtvoer per 100 kg melk. Die zouden nog veel van de Brabantse efficiëntie kunnen leren. Bij een intensiteit van 10.000 kg melk/ha zou theoretisch de krachtvoerkraan helemaal dicht kunnen. Andersom zie ik in het Zuiden bedrijven die steeds minder grond bezitten en compleet afhankelijk zijn geworden van voerprijzen en mestafzet. Kun je nog wel spreken van een kringloop bij 100.000 kg melk/ha?
Ons land is gelukkig niet zo zwart-wit verdeeld en er is een enorme diversiteit aan melkveebedrijven, elk met een eigen specifieke uitdaging. De kringloopwijzer brengt het in elk geval keurig in beeld. Het zou mooi zijn als de kringloopwijzer ook de aankoop beoordeelt. Het maakt namelijk wel uit of je gras of mais van de buren koopt of soja uit Brazilië. Voorlopig rekenen we met kengetallen als het % VEM en % eiwit vanuit eigen ruwvoer. Een getal als externe hectares zou beter zijn.
Uit de praktijk hoor ik vaak dat het makkelijker boeren is met een intensiever bedrijf. Dat lijkt me logisch, want je kunt natuurlijk precies aankopen wat je wilt. Maar het lijkt mij niet slim om ernaar te streven steeds minder grond onder je melkveebedrijf te hebben. Grondgebondenheid verplicht stellen of bij wet regelen is ook een heet hangijzer. Op landelijk niveau zou de rekensom in elk geval moeten blijven kloppen: 12 miljard liter melk op 1 miljoen hectare grasland. Ik zou ook graag eens een sectorvisie lezen waarin staat dat we 12+ miljard liter gaan melken op 1,2+ miljoen hectare grasland en voedergewassen, ofwel energie- en vooral ook eiwitgebonden blijven. Dat land is er wel, ja zelfs in Nederland. De melkveesector heeft geen mestprobleem, kan zelfs mest aanvoeren, en te allen tijden voldoende hoogwaardig koeienvoer winnen.
De Chinezen kopen grond in Brazilië om hun eiwitvoorziening te regelen. Elke Nederlandse melkveehouder zou in elk geval eens een plan moeten maken hoe hij in de toekomst stront aan grond aan voer aan melk blijft koppelen.

1. Topsportmodel loslaten. januari 2014
Als boerenzoon uit het Brabantse Udenhout (1972) werd ik nat achter de oren naar de MAS in Boxtel gestuurd om de boerderij over te nemen. Daarna toch maar naar de HAS in Den Bosch en uiteindelijk naar Wageningen doorgestroomd. Daar blijven hangen bij professoren als Jan Douwe van der Ploeg en Jaap van Bruchem en in de Friese Wouden terecht gekomen. Die Woudenboeren en die professoren hebben me aardig gevormd en daar ligt een belangrijke basis voor mijn huidige adviesbureau wat ik Boerenverstand heb genoemd. Ik ben altijd al bijzonder geraakt door andersdenkende innoverende boeren en zodoende ook een aanhanger van het zogenaamde kringloopdenken.

Kringlooplandbouw is eigenlijk niet meer en niet minder als het zo goed mogelijk afstemmen van de koeien (melkproductie) op de bodem (voerproductie), waarin mest geen probleem is maar juist een oplossing. Als je het mij vraagt heeft Nederland een fantastische kans: 1,2 miljoen hectare grasland waarop we 12 miljard kg melk kunnen produceren. Die kringloop kan niet op elk individueel bedrijf gesloten worden, maar in een gebied en als sector is dat haalbaar. Geen krachtvoer en kunstmest import, beetje restproducten, koeien en weides die het Nederlandse landschap sieren, koolstofopslag in de bodem, waterberging, biodiversiteit (ook onder de grond), weidevogels. Een dijk van een (internationaal) verkoopverhaal!

Maar nu hoor ik u denken “leuk, maar Verhoeven verdient zijn geld met praten en niet met koeien melken”. Daarom ga ik u er van overtuigen dat kringloopdenken samengaat met meer verdienen! Zeker op de langere termijn. Het begint allemaal met het loslaten van het topsportmodel: de koe als topsporter. Ik durf hier wel te stellen dat iedereen geld verdient aan die topsport, behalve de boer! En daarmee komen we meteen bij een “probleem” van kringlooplandbouw: minder input van voer, kunstmest, financiering, (emissiearme) stallen, sperma, enzoverder, daaraan verdient niemand. We noemen het ook wel “low-tech”. Nu wil ik niet zeggen dat alle techniek nutteloos is en dat we weer terug moeten naar vroeger, maar er is weldegelijk een betere balans nodig.

Als we net zoveel zouden investeren in de bodem en de voederwinning als in onze koeien en stallen, dan was de benutting van het eigen voer inmiddels misschien wel 1,5 keer zo hoog? Misschien ook consequent koeien selecteren die nog efficiënter melk uit gras maken? En om de bodem in topconditie te houden niet 35 m3 (rotte) drijfmest zo vroeg mogelijk in het voorjaar in de bodem? Maar misschien beter gerijpte mest tegelijk met een laagje water op de bodem? En misschien is maïs leuk voor wat meer opbrengst en gemak, maar toch niet zo gezond voor de koe en voor de bodem?

Zo, de toon is gezet! Ik wil graag eens een ander geluid laten horen. Niet alleen richting de veehouder, maar ook richting onze overheden, het onderwijs, onderzoek en de periferie.

18 januari 2015
door Frank Verhoeven

Commententaren zijn gesloten.