Door: Maartje Bos, MSc student Animal Science aan de Wageningen Universiteit

Toen in 2003 de Mineralenbalans niet meer gebruikt kon worden als wettelijk sturingsmiddel om milieuverliezen in de melkveehouderij te reduceren, volgde er een stelsel van excretienormen per dier en gebruiksnormen per grondsoort en gewas. Via de handreiking bedrijfsspecifieke excretie (bekend als BEX) werd het vanaf 2006 mogelijk gemaakt om op vrijwillige basis aan te tonen dat een melkveebedrijf een efficiëntere N/ P-dierbenutting heeft dan aangenomen wordt op basis van de excretie normen. In 2010 lanceerde zuivelonderneming CONO Kaasmakers het KringloopKompas. Dit instrument maakte gebruik van de BEX als belangrijke basis bij de registratie van kringloopcijfers. De uitbouw van de BEX naar het beschrijven van de hele kringloop werd toen in gang gezet. De BEX (excretie van N en P) werd uitgebreid met de BEA (ammoniak), BEP (fosfaatontrekking), BEN (stikstofontrekking), BES (stikstofbemesting dierlijke mest) en BEC (klimaat) en vormde zo de KringloopWijzer (KLW). Tijdens de ontwikkeling van de BEX en KLW nam de aandacht voor het sluiten van kringlopen en kringlooplandbouw ook steeds verder toe.

In 2013 werd het plan van de Duurzame Zuivelketen bekend gemaakt. Een belangrijke actie was de implementatie van de KLW om daarmee de fosfaatproductie en ammoniak- en broeikasgasemissies te verlagen. Vanaf 1 januari 2015 zijn melkveebedrijven met een mestoverschot verplicht om de KLW in te dienen. Vanaf 2016 is dit verplicht gesteld voor alle melkveehouders met als uiterste inleverdatum 15 mei 2017. Anno 2017 is het voor melkveehouders wettelijk alleen mogelijk om de BEX te gebruiken (ofwel afwijken van excretienormen) en kunnen alleen een aantal pilotbedrijven gebruik maken van de BEP en BEN (ofwel afwijken van gebruiksnormen). Nu rijst de vraag waar de Zuivelketen, maar ook de sector en de overheid met de KLW op wil gaan sturen en of de KLW wel geschikt is als beleidsinstrument. Daarnaast rijst ook de vraag wat het sturen met de KLW gaat betekenen voor een kringloopboer die zich bezighoudt met kringlooplandbouw en het sluiten van kringlopen.

Er werden 10 diepte-interviews gehouden met boeren, experts, ontwikkelaars en beleidsmakers. In deze interviews werden vragen gesteld als: wat is volgens u een kringloopboer, hoe denkt u over de KLW als beleidsinstrument en wat kan worden verbeterd in het model. Na de interviews werden de knelpunten gesorteerd op knelpunten met betrekking tot het model en tot de beeldvorming. Met de rekenregels van de KLW werden de knelpunten betreffende het model verder onderzocht. Voor zowel de overheid als de zuivelketen werd uitgewerkt hoe zij gebruik maken/ willen maken van de KLW. Een onderdeel hiervan was welke Kritische Prestatie Indicatoren gebruikt gaan worden om op te sturen.

Resultaten interviews

Uit interviews is ten eerste gebleken dat er in het model van de KringloopWijzer nog verbeteringen doorgevoerd moeten worden om een kringloopboer beter te kunnen beschrijven. Belangrijke punten zijn 1) de factoren die weidegrasopname bepalen verbeteren en aanvullen, 2) de VEM-waarde van vers gras nauwkeuriger bepalen, 3) koeienrassen verder differentiëren, 4) beheers- en natuurland beter beschrijven en 5) de bodem beter in het model krijgen. Naast verbeteringen werden ook ontbrekende punten aangedragen. Belangrijk bezwaar wat genoemd is zijn de externe verliezen die nu niet meegenomen worden waardoor intensieve bedrijven te positief scoren op hun milieu-en klimaatprestaties.

Naast de knelpunten in het model is er ook de beeldvorming over de KringloopWijzer die zorgt voor weerstand. Een veel genoemd knelpunt is dat de KringloopWijzer tot intensivering zou leiden, onder andere omdat de externe verliezen niet meegenomen worden. Een tweede reden is dat de KringloopWijzer gebaseerd is op cijfers van intensieve bedrijven en daarom niet goed werkt voor extensieve bedrijven. Daarnaast zou het makkelijker zijn om te sturen op mineralenefficiëntie met de koeien op stal. Ook zouden bedrijven met de koeien op stal beter scoren in de KringloopWijzer dan bedrijven met weidegang.

Sturen door de overheid

Belangrijk bij deze punten met betrekking tot beeldvorming is dat de KringloopWijzer op zichzelf niet stuurt tot bepaalde dingen. Het is puur een technisch instrument wat de mineralenstromen op een bedrijf in beeld brengt. Het beleid (overheid en zuivelketen) zijn echter wel in staat om te sturen met de Kringloopwijzer. De overheid gebruikt de KringloopWijzer als geheel nog niet om bedrijfsspecifieke verantwoording af te kunnen leggen (alleen de BEX). Zij werken hier echter wel naartoe en willen de KringloopWijzer als volledig instrument gaan gebruiken om melkveehouders ruimte te laten verdienen binnen de fosfaatrechten. Maar wat zijn de gevolgen van het belonen van een lage excretie, waar leidt dat toe?

Een paar voorbeelden zijn: een lage excretie kan ten eerste gerealiseerd worden door veel maïs in het rantsoen te voeren. Continuteelt van maïs leidt echter tot organische stof afbraak in de bodem. Ook kan het sturen op een lagere excretie gevolgen hebben voor de melkproductie per koe, hoog producerende koeien hebben een hogere voerefficiëntie dan laag producerende koeien. Een hoge melkproductie per koe kan echter gevolgen hebben voor de gezondheid van het dier en de eisen die gesteld worden aan de voeraankoop (meer krachtvoer). Sturen met de BEX kan dus leiden tot intensivering, meer mais in het rantsoen en dus in het bouwplan en meer of duurder krachtvoer. Door de BEP mee te nemen komen juist bedrijven met veel grasland in hun bedrijfsvoering positief uit.

Sturen door de Zuivelketen

De zuivelketen heeft de KringloopWijzer verplicht gesteld en wil sturen op milieudoelen (zie tabel). Deze worden becijferd op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI) uit de KringloopWijzer.

Milieudoelen Duurzame ZuivelketenKritische Prestatie Indicatoren
Nitraatverliezen     Stikstofbodembalans (kg N/ha)
Fosfaatverliezen     Fosfaatbodembalans (kg P2O5/ha)
AmmoniakemissieAmmoniakemissie (kg/ha)
BroeikasgassenCO2-equivalenten* (per ton melk)

Per KPI is gekeken hoe deze wordt berekend in de KringloopWijzer en waar het sturen hierop toe leidt. Hier zullen er twee toegelicht worden. De stikstof- en fosfaatbodembalans worden berekend door de aanvoer te verminderen met de afvoer op een bedrijf. Dit zijn administratieve getallen waar geen aannames en formules voor worden gebruikt. De fosfaatbodembalans lijkt daarom een goede parameter om op te sturen aangezien er geen aannames gebruikt worden en dus voor iedereen gelijk berekend wordt en (hopelijk) ook in de praktijk als eerlijk wordt ervaren. Daarnaast geeft deze KPI binnen de intensiteitsklasse aan hoe efficiënt de aanvoer omgezet wordt in afvoer. Dit stimuleert het goed benutten van het eigen land.

Voor de stikstofbodembalans moet echter rekening gehouden worden met gasvormige verliezen van ammoniak, lachgas en overige stikstof verliezen. Bij het berekenen van deze verliezen worden wel aannames en formules gebruikt. Ammoniakemissie is fors hoger bij opstallen dan bij beweiden. Dit kan echter positief uitvallen voor de stikstofbodembalans. Door aanvoer minus afvoer wordt het stikstofbedrijfsoverschot berekend.  Stikstofbedrijfsoverschot minus gasvormige N verliezen berekend de stikstofbodembalans. Wanneer deze verliezen dus hoger zijn wordt de stikstofbodembalans lager. Opstallen kan daardoor positiever uitkomen in de stikstofbodembalans.

Conclusies

Om een kringloopboer beter in de KringloopWijzer te laten passen moeten 1) het model verder ontwikkeld en getest worden met een bredere groep boeren. Het blijft echter de vraag of alle Nederlandse boeren goed beschreven kunnen worden in het model, intensief of extensief. Maar hoever wil en moet je gaan? Hoe ver moet het model geoptimaliseerd en bedrijfsspecifieker gemaakt worden? Of moet het juist minder specifiek en robuuster worden? Zeker wanneer het over de controleerbaarheid en handhaafbaarheid gaat van het bedrijfsspecifieke spoor. Uiteindelijk kan een biologisch proces nooit perfect in een model gevangen worden. 2) De overheid moet voorzichtig zijn met het geven van ruimte om niet de verkeerde ontwikkelingen te belonen. Tegelijkertijd kan de overheid haast maken met het specifiek maken van gebruiksnormen (BEP, BEN, BES) zodat ook de bodem meegenomen wordt en andere groepen bedrijven voordeel kunnen behalen met het bedrijfsspecifieke spoor. 3) Voor de zuivelondernemingen is het belangrijk dat er integraal gekeken wordt en zorgvuldig bepaald wordt op welke kengetallen wel of niet gestuurd moet worden. Zo zal nauwkeurig gekeken moeten worden wat bijvoorbeeld de gevolgen zijn van het sturen op broeikasgasemissie berekend vanuit de KringloopWijzer. Tenslotte 4) het berekenen en uiteindelijk meenemen van externe verliezen (zeker met het oog op het aankomend klimaatbeleid) zou prioriteit moeten hebben om gehoor te geven aan de bezwaren van de extensievere kringloopboeren.

5 juli 2017
door Frank Verhoeven

Commententaren zijn gesloten.